Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummers: FA RK 20-4568 (echtscheiding) en FA RK 21-115 (verdeling) Zaaknummers: C/09/596122 (echtscheiding) en C/09/605751 (verdeling) Datum beschikking: 11 juni 2021 Scheiding Beschikking op het op 22 juni 2020 ingekomen verzoek van: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. H. Devkinandan te Leiden. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting te [plaats 1] , advocaat: mr. J.S. Jordan te 's-Gravenhage. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken; het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken, tevens houdende een aanvullend verzoek; het bericht van 28 oktober 2020 van de zijde van de man; het verweerschrift tegen het aanvullende verzoek; het bericht van 10 december 2020 van de zijde van de vrouw; het formulier ‘verdelen en verrekenen’, van de zijde van de man, ingediend op 9 februari 2021; het bericht van 3 maart 2021, met bijlagen, van de zijde van de vrouw; het bericht van 19 april 2021, met bijlagen, van de zijde van de man; het bericht van 20 april 2021, met bijlagen, van de zijde van de man; de brief van 20 april 2021, met bijlagen, van de zijde van de vrouw; het bericht van 20 april 2021, met bijlagen, van de zijde van de vrouw; de brief van 23 april 2021, met bijlagen, van de zijde van de man; het bericht van 27 april 2021, met bijlagen, van de zijde van de vrouw; De minderjarige [minderjarige 1] heeft schriftelijk zijn mening kenbaar gemaakt. Op 30 april 2021 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat, de man (middels videoverbinding vanuit de penitentiaire inrichting) en zijn advocaat, alsmede mevrouw [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Verzoek en verweer De vrouw verzoekt de echtscheiding uit te spreken en: (naar de rechtbank begrijpt:)primair: te bepalen dat voortaan alleen aan de vrouw het ouderlijk gezag zal toekomen over de kinderen;subsidiair: de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw vast te stellen; met ingang van 1 juli 2020, dan wel met ingang vanaf de dag dat de man de echtelijke woning zal verlaten, in ieder geval per 1 september 2020, een door de man aan de vrouw te betaling kinderalimentatie vast te stellen van € 750,- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; een door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vast te stellen van € 3.550,- bruto per maand; de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen, conform het voorstel van de vrouw, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens verzoekt de man zelfstandig de echtscheiding uit te spreken en de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen, conform het voorstel van de man, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Feiten Partijen zijn gehuwd op [datum] 2006 te [plaats 2] . Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2008 te [plaats 3] ,- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2011 te [plaats 3] . Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit. De man is sinds 12 augustus 2020 gedetineerd. De man is op 1 maart 2021 door deze rechtbank veroordeeld tot – voor zover hier van belang – een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren wegens poging tot uitlokking van moord en poging tot uitlokking van moord, meermalen gepleegd, op de vrouw. Beoordeling Ouderschapsplan Door partijen is geen ouderschapsplan overgelegd overeenkomstig artikel 815, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Nu het ouderschapsplan in de wet geformuleerd is als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding waarbij minderjarige kinderen zijn betrokken, heeft de rechtbank de bevoegdheid de verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, zesde lid, Rv). Naar het oordeel van de rechtbank is het voldoende gebleken dat het op dit moment voor partijen niet mogelijk is om een ouderschapsplan op te stellen. Gelet hierop zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding met nevenvoorzieningen. Echtscheiding Beide partijen stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat de daarop steunende, over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar zijn. Gezag De vrouw verzoekt haar te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen. Het is volgens de vrouw onmogelijk om samen met de man het gezag over de kinderen uit te oefenen. Communicatie met de man is gevaarlijk en niet wenselijk. De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw. Het wettelijk uitgangspunt is dat ouders na ontbinding van het huwelijk het gezag gezamenlijk blijven uitoefenen. Ingevolge artikel 1:251a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen toewijzen en overweegt daartoe als volgt. Zoals reeds opgenomen onder het kopje ‘feiten’ is de man veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren wegens poging tot uitlokking van moord op de vrouw. Reeds hieruit volgt dat de verhouding tussen de ouders ernstig is verstoord, zodanig dat van normale communicatie geen sprake meer kan zijn. Daarbij komen praktische belemmeringen voor de uitvoering van gezamenlijk gezag. De vrouw en de kinderen zijn thans ondergedoken op een geheim adres. Bij uitvoering van gezag door de man acht de rechtbank het niet ondenkbaar dat onder meer hun verblijfplaats bij de man bekend zal worden. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de man gedurende zijn detentie onvoldoende zicht heeft op de kinderen om gezagsbeslissingen over hen te kunnen nemen. Hoofdverblijfplaats Nu het verzoek van de vrouw om haar te belasten met het eenhoofdig gezag zal worden toegewezen komt de rechtbank niet meer toe aan het subsidiaire verzoek van de vrouw om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar vast te stellen. Omgangsregeling Ter zitting heeft de man verzocht een omgangsregeling vast te stellen waarbij hij middels videobellen contact kan hebben met de kinderen. De rechtbank acht het, conform de stelling van de vrouw, op dit moment niet in het belang van de kinderen om een omgangsregeling met de man vast te stellen. Onduidelijk is of, en zo ja, welke vorm van contact met de man de kinderen op dit moment aan kunnen. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat zij nu – ook na het voor hen heftige jaar – de nodige rust en stabiliteit krijgen alvorens in de toekomst eventueel contact met de man aan de orde kan zijn. Niet ondenkbaar is, zoals ook zijdens de vertegenwoordiger van de raad is opgemerkt, dat hulpverlening ter verwerking van de traumatische ervaringen in de afgelopen periode aan een dergelijk contactherstel vooraf dient te gaan. Kinderalimentatie De vrouw heeft om kinderalimentatie verzocht, waarbij zij, gelet op de detentie van de man, heeft gesteld dat de man een bijdrage kan betalen vanuit zijn vermogen. De man heeft bestreden over enige draagkracht te beschikken. De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat de man thans geen inkomen genereert. Uit het navolgende ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap volgt dat de man wel over enig vermogen zal beschikken. Partijen hebben de echtelijke woning inmiddels verkocht voor € 478.000,-. De overwaarde beloopt € 278.000,-. Met die overwaarde dienen partijen, zoals eveneens uit het navolgende zal blijken, schulden van in totaal € 159.985,- te voldoen, zodat de resterende overwaarde (afgerond) € 59.008,- per persoon bedraagt (€ 278.000,- minus € 159.985,- / 2). Bij gebreke van enige inkomsten, en anderzijds in het licht van dit vermogen, de zwaarwegende onderhoudsverplichting jegens de kinderen, alsmede het gegeven dat de man tijdens zijn detentie geen noemenswaardige lasten te dragen heeft, acht de rechtbank het redelijk dat de man 20% van zijn deel van de overwaarde aanwendt voor het betalen van kinderalimentatie voor de komende jaren, te weten € 11.802,-. Ervan uitgaande dat de man nog 7,5 jaar in detentie zit heeft de man een ruimte van (€ 11.802,- / 7.5 =) € 1.574,- per jaar, te weten € 131,- per maand om kinderalimentatie aan de vrouw te betalen. Nu voorts tussen partijen niet in geschil is dat zij ten tijde van het huwelijk een aanzienlijk inkomen hadden, acht de rechtbank het redelijk om een bedrag van (afgerond) € 66,- per maand per kind aan kinderalimentatie vast te stellen. Als ingangsdatum zal de rechtbank de datum van de beschikking hanteren. Partneralimentatie Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de kinderalimentatie is de rechtbank van oordeel dat aan de zijde van de man geen draagkracht meer resteert voor het betalen van een partneralimentatie. Het verzoek van de vrouw daartoe zal daarom worden afgewezen. Verdeling huwelijksgemeenschap Nu niet is gesteld of gebleken dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, moet gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW (tekst tot 1 januari 2018) worden aangenomen dat tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen bestaat. Bij de verdeling van de gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat partijen in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen. Als wettelijke peildatum voor het vaststellen van de omvang van de huwelijksgemeenschap geldt de datum van indiening van het verzoekschrift, zijnde 22 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.