← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2021:7975

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 20/6779 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2021 in de zaak tussen [eiseres], te [woonplaats], eiseres (gemachtigde: mr. G.D. Haytink), en de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder (gemachtigde: mr. J. Lam). Procesverloop Bij brief van 16 juli 2020 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat zij met ingang van 22 oktober 2019 wordt toegelaten tot de vrijwillige verzekering voor de Ziektewet (ZW) en de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) voor een dagloon van € 4,-. In het besluit van 2 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gericht tegen de brief van 16 juli 2020 niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft de gedingstukken ingestuurd en een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei

  1. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
  2. Eiseres heeft zich op 13 januari 2020 aangemeld voor de vrijwillige verzekering voor de ZW en Wet WIA. Verweerder heeft daarop het besluit van 22 januari 2020 genomen en de aanvraag afgewezen. Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres heeft verweerder het besluit van 15 juli 2020 genomen. Daarin heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en het besluit van 13 januari 2020 herroepen, in die zin dat eiseres per 22 oktober 2019 wordt toegelaten tot de vrijwillige verzekering voor de ZW en Wet WIA voor een dagloon van € 4,-. Vervolgens heeft verweerder op 16 juli 2020 een toekenningsbeslissing naar eiseres verstuurd. Tegen de beslissing op bezwaar van 15 juli 2020 heeft eiseres (apart) beroep ingesteld (zaaknummer 20/5456ZW).
  3. Eiseres is ook in bezwaar gegaan tegen de toekenningsbeslissing. Verweerder heeft daarop het bestreden besluit genomen. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit berust op het standpunt dat de brief van 16 juli 2020 niet op rechtsgevolg is gericht. Bij het besluit van 15 juli 2020 is immers bepaald dat eiseres per 22 oktober 2019 wordt toegelaten tot de vrijwillige verzekering voor de ZW en Wet WIA voor een dagloon van € 4,- en dit is een op rechtsgevolg gericht besluit, aldus verweerder.
  4. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Zij betoogt dat de brief van 16 juli 2020 wel degelijk op een rechtsgevolg is gericht. In deze brief is het dagloon namelijk op € 4,- bepaald. Ten aanzien van de vaststelling van het dagloon voert eiseres dezelfde gronden aan zoals vermeld in het beroepschrift in de zaak 20/5456ZW. 4.1 Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Daarbij wordt met een rechtshandeling bedoeld: een handeling gericht op rechtsgevolg, dat wil zeggen op het vaststellen, wijzigen of opheffen van een rechtsverhouding. 4.2 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de brief van 16 juli 2020 geen besluit is in de zin van de Awb. Deze brief voegt niets toe aan wat verweerder in de beslissing op bezwaar van 15 juli 2020, als resultaat van de heroverweging heeft bepaald, namelijk dat eiseres alsnog per 22 oktober 2019 wordt toegelaten tot de vrijwillige verzekering voor de ZW en Wet WIA voor een dagloon van € 4,-. Het rechtsgevolg (de toelating van eiseres) is dan ook ingetreden met het besluit van 15 juli
  5. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk verklaard. 4.
  6. De rechtbank merkt nog op dat verweerder onder de brief van 16 juli 2020 ten onrechte heeft vermeld dat daartegen bezwaar kon worden gemaakt. Het verdient aanbeveling om in voorkomende gevallen duidelijk te maken dat de “toekenningsbeslissing” een uitwerking vormt van de beslissing op bezwaar, en dat daartegen dus niet apart (opnieuw) bezwaar open staat.
  7. Het beroep is ongegrond.
  8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Lemmen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juni
  9. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.