RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: AWB 19/9162 uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser, geboren op [geboortedatum 1] (dan wel [geboortedatum 2] ), van Senegalese nationaliteit, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. U.H. Hansma) en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder (gemachtigde: mr. A. Wildeboer). Procesverloop Bij besluit van 30 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de (ambtshalve) aanvraag van eiser van 29 augustus 2019 om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘humanitair tijdelijk’, afgewezen. Bij besluit van 26 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Voorts heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Op dat verzoek (zaaknummer AWB 19/9163) zal bij afzonderlijke uitspraak worden beslist. De gronden van beroep zijn ingediend op 4 februari 2020. Verweerder heeft op 13 mei 2020 een verweerschrift ingediend. Dit verweerschrift is op 4 december 2020 aangevuld door verweerder. Het onderzoek ter zitting heeft, gelijktijdig met het onderzoek in de zaken AWB 19/9236 en AWB 20/745, plaatsgevonden op 15 december 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen 1. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. 1.1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van het navolgende. 1.2. Eiser heeft op 10 maart 2019 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 10 mei 2019 heeft verweerder het voornemen uitgebracht de aanvraag niet in behandeling te nemen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Voorafgaand aan het voornemen hebben de Italiaanse autoriteiten op 27 april 2019 het claimakkoord met betrekking tot eiser bevestigd. Hiertegen heeft eiser op 11 juni 2019 een zienswijze ingediend. Bij besluit van 12 juni 2019 heeft verweerder overeenkomstig het voornemen de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Het hiertegen door eiser ingestelde beroep heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, bij uitspraak van 19 juli 2019 (zaaknummer NL19.13710) ongegrond verklaard. 1.3. Eiser heeft vervolgens op 28 augustus 2019 aangifte gedaan van mensenhandel. Op 29 augustus 2019 is een kennisgeving aangifte strafproces mensenhandel en beroep op de verblijfsregeling voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel, zoals neergelegd in paragraaf B8/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), opgemaakt. De kennisgeving aangifte wordt gelijkgesteld met een (ambtshalve) aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier op humanitaire gronden. 1.4. Bij beslissing van 4 september 2019 heeft het Landelijk Parket Openbaar Ministerie (OM) besloten, naar aanleiding van de aangifte van eiser, om geen vervolging in te stellen en om de zaak voortijdig te beëindigen. De aanwezigheid van eiser in Nederland was voor het OM niet langer noodzakelijk, omdat Nederland geen rechtsmacht heeft voor de volgens eiser in Italië gepleegde (strafbare) feiten en eisers aangifte niet tot een nader strafrechtelijk onderzoek in Nederland kon leiden wegens onvoldoende opsporingsindicaties. Er waren eveneens onvoldoende aanknopingspunten om het onderzoek over te dragen aan Italië. 1.5. Bij het primaire besluit van 30 augustus 2019 heeft verweerder de (ambtshalve) aanvraag afgewezen. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de Dublinverordening op eiser van toepassing is, nu zijn asielaanvraag niet in behandeling is genomen, omdat Italië verantwoordelijk is. Verweerder beschouwt een beslissing van het OM als bewijsmiddel wanneer daaruit blijkt dat het OM heeft vastgesteld of de aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland noodzakelijk wordt geacht in het belang van de opsporing en vervolging van mensenhandel. Indien, in een geval als het onderhavige, aangifte wordt gedaan binnen een relatief korte termijn voor de uiterste overdrachtsdatum en de beslissing van het OM volgens verweerders beleid niet afgewacht hoeft te worden, gaat verweerder na of een spoedafhandeling van de aangifte door de politie/het OM mogelijk is. Indien een spoedbehandeling niet mogelijk is gaat verweerder na of er inhoudelijke redenen zijn om de beslissing van het OM af te wachten. In dit geval bleek een spoedbehandeling niet mogelijk. Er is daarop door verweerder bij de politie navraag gedaan of er inhoudelijke redenen waren de beslissing van het OM af te wachten. Die redenen waren er niet. De politie gaf verweerder te kennen aan het OM te hebben doorgegeven dat er geen indicaties voor vervolging waren. Om die reden heeft verweerder de beslissing van het OM niet afgewacht en heeft hij op 30 augustus 2019 de aanvraag van eiser afgewezen. Vervolgens heeft verweerder overeenkomstig de eerder verstrekte informatie op 4 september 2019 de beslissing van het OM ontvangen, waarin is vermeld dat de aanwezigheid van eiser in Nederland niet langer noodzakelijk was, waardoor eiser niet voldeed aan de voorwaarden zoals genoemd in paragraaf B8/3 van de Vc 2000. Verweerder zag voorts geen aanleiding om met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van de beleidsregels. Voorts is gesteld noch gebleken dat er sprake is van familieleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). 1.6. Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en daarbij aangevoerd dat hij buiten zijn schuld om eerst op 28 augustus 2019 aangifte heeft gedaan van mensenhandel. Hij wijst op het arrest Rantsev van het EHRM van 7 januari 2010, waaruit, net als uit de Richtlijn 2011/36/EU, voor lidstaten een positieve verplichting voortvloeit om mensenhandel aan te pakken en slachtoffers te beschermen. Het Hof heeft mensenhandel gebracht onder het toepassingsbereik van artikel 4 van het EVRM. Voorts meent eiser dat een verblijfsvergunning moet worden verleend als aan de voorwaarden van artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 2004/81/EG is voldaan. Verweerder had de verblijfsvergunning op grond van hoofdstuk B8/3 van de Vc 2000 moeten verlenen. Verweerder had het nieuwe beleid buiten toepassing moeten laten, nu de toepassing daarvan in de zaak van eiser in strijd komt met Richtlijn 2004/81/EG. Eiser wijst erop dat de wens om aangifte te doen ruim voorafgaande aan de inwerkingtreding van het nieuwe beleid kenbaar is gemaakt. Hij heeft daarbij aangegeven bereid te zijn tot medewerking aan het onderzoek. Het nieuwe beleid waarop verweerder zich beroept, onthoudt de bescherming aan eiser waar hij op grond van de Richtlijn wel recht op heeft. Verweerder heeft een niet Richtlijnconforme uitleg gehanteerd omdat hij een strengere norm heeft aangelegd dan Richtlijn 2004/81/EG voorschrijft. Het niet verlenen van de verblijfsvergunning in de periode van 28 augustus 2019 tot 4 september 2019 is in strijd met Richtlijn 2004/81/EG. Op 16 maart 2019 heeft eiser tijdens zijn aanmeldgehoor (Dublin) aangegeven dat hij in Italië slachtoffer is geworden van misstanden en kort daarna heeft hij aangegeven aangifte te willen doen van mensenhandel, gepleegd in of in de buurt van Turijn (Italië). Buiten zijn schuld om is het eiser eerst op 28 augustus 2019 mogelijk gemaakt om deze aangifte daadwerkelijk te doen. Nu op de datum van het primaire besluit de inhoud van de aangifte bij verweerder nog niet bekend was en de beslissing van het OM over het wel of niet vervolgen evenmin bekend was, had verweerder geen andere keuze dan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van paragraaf B8.3 van de Vc te verlenen. 2. Bij het bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Hiertoe heeft verweerder – samengevat – overwogen dat pas sprake is van een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier op humanitaire gronden als het model M55 is ingestuurd door de politie of de Koninklijke Marechaussee (KMar) en door verweerder is ontvangen. Het uiten van de wens om aangifte te willen doen, kan niet aangemerkt worden als de datum dat een aanvraag is ingediend en dat verweerder gehouden is om een besluit te nemen. Dat eiser die wens al voor de inwerkingtreding van het nieuwe beleid heeft geuit, betekent niet dat het oude beleid op hem van toepassing is. Voorts heeft eiser niet binnen drie maanden na het doen van een asielaanvraag aangifte van mensenhandel gedaan. Het nieuwe beleid is op eiser van toepassing en door verweerder is conform het nieuwe beleid gehandeld. Ten aanzien van het nieuwe beleid en het beroep van eiser op de onder 1.6 vermelde Richtlijnen is overwogen dat de mensenhandel regeling tot 1 augustus 2019 ruimer werd uitgelegd, namelijk dat iedere vreemdeling die aangifte deed van mensenhandel binnen 24 uur een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd werd verstrekt, waarbij op dat moment niet werd gewacht op het oordeel van het OM over de vraag of de aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland noodzakelijk was voor nader onderzoek naar de opsporing en vervolging van mensenhandel, hetgeen volgens de Richtlijn wel een voorwaarde is. Hiermee heeft Nederland de Richtlijn tot 1 augustus 2019 ruimer toegepast dan strikt noodzakelijk was. Met het nieuwe beleid, dat geldt met ingang van 1 augustus 2019, wordt er pas een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd verleend indien de beoordeling door het OM heeft uitgewezen dat de aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland noodzakelijk is voor het opsporen en het vervolgen van mensenhandel. Het nieuwe beleid leidt er niet toe dat geen uitvoering meer wordt gegeven aan de Richtlijn. Eiser is in het kader van zijn asielaanvraag aangeduid als Dublinclaimant en het nieuwe beleid is op Dublinclaimanten van toepassing. Voorts is de wijziging van het beleid niet in strijd met de Richtlijn, nu Dublinclaimanten nog steeds een effectief beroep kunnen doen op de Richtlijn, zowel in Nederland als in de lidstaat waarnaar zij worden overgedragen. Dat de wijziging van het beleid leidt tot een onderscheid tussen Dublin- en niet-Dublinclaimanten, is volgens verweerder een feit, maar vanwege de verschillende posities, waarin deze vreemdelingen verkeren, is dit onderscheid volgens verweerder gerechtvaardigd. Bovendien blijft Nederland zijn verplichtingen op grond van de Richtlijn voor beide groepen vreemdelingen nakomen. Verweerder heeft voorts overwogen dat het, los van de vraag of er wel of niet sprake is van de intentie van een vreemdeling om onder de Dublinclaim uit te komen, niet wenselijk is dat de aangifte van een Dublinclaimant direct leidt tot het vervallen van de Dublinprocedure, terwijl is gebleken dat in een groot deel van de gevallen het strafrechtelijk onderzoek slechts kort duurt en er geen aanknopingspunten zijn voor onderzoek in Nederland. 3. In beroep heeft eiser het standpunt van verweerder gemotiveerd bestreden. Eiser heeft – samengevat weergegeven – aangevoerd dat hij op 16 maart 2019 tijdens zijn aanmeldgehoor al heeft verklaard dat hij in Italië slachtoffer is geworden van mensenhandel en dat hij hier aangifte van wilde doen. Onder verwijzing naar de Richtlijn en het arrest Rantsev stelt eiser dat hij met ingang van die datum in het bezit gesteld had moeten worden van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Eiser stelt verder dat het (nieuwe) beleid van verweerder om pas een verblijfsvergunning te verlenen nadat bericht is ontvangen van het OM in strijd is met artikel 8, eerste lid, van de Richtlijn. Ook betoogt eiser dat de Richtlijn niet behoorlijk is geïmplementeerd op het punt van de bedenktijd en verwijst hij daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 9 maart 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:2085). Subsidiair stelt eiser dat hij in ieder geval vanaf de datum van de kennisgeving aangifte, dus van 29 augustus 2019 tot aan de beslissing van het OM op 4 september 2019, recht had op een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. In die periode was zijn verblijf in Nederland, bij gebreke van een oordeel van het OM, ‘dienstig’ voor het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Richtlijn, aldus eiser. 4. De rechtbank slaat acht op het navolgende juridische kader. 4.1. Uit artikel 6 van de Richtlijn volgt dat de vreemdeling recht heeft op bedenktijd om te beslissen of hij wil samenwerken met de bevoegde autoriteiten. Deze bedenktijd geeft ingevolge het derde lid van genoemd artikel geen recht op verblijf. Wel moet er, op grond van het tweede lid van genoemd artikel, worden voorzien in de basisbehoeften van de vreemdeling als bedoeld in artikel 7 van de Richtlijn en mag de vreemdeling niet worden uitgezet. 4.2. In artikel 8, eerste en tweede lid, van de Richtlijn staat het volgende: “1. Wanneer de bedenktijd verstreken is, of eerder indien de bevoegde autoriteiten van oordeel zijn dat de betrokken onderdaan inmiddels heeft voldaan aan het in onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.