← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2021:8204

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL20.2994 V-nummer: [nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser (gemachtigde: mr. M. Berg), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder Procesverloop Bij besluit van 3 februari 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting met impliciete toestemming van partijen. Overwegingen

  1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Nigeriaanse nationaliteit te bezitten. Hij heeft op 14 november 2019 in Nederland een asielaanvraag ingediend.
  2. Verweerder heeft eisers aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland daarvoor verantwoordelijk wordt geacht. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser eerder in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft Duitsland daarom verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Duitsland heeft hiermee ingestemd op 14 januari
  3. Eiser voert tegen het bestreden besluit aan dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Hij stelt dat hij in Duitsland enige tijd in het bezit is gesteld van een 'Duldung', maar dat hem in 2019 – zonder nadere informatie – werd medegedeeld dat hij het land moest verlaten. Volgens eiser is deze handelwijze in strijd met artikel 15 van de Procedurerichtlijn. Hij voert verder aan dat hij kampt met toenemende psychische klachten, die deels zijn gerelateerd aan traumatiserende ervaringen in Duitsland, zijn onzekere verblijfspositie en bezorgdheid over achtergebleven gezinsleden. Eiser stelt verder dat hij in Duitsland gedurende langere tijd is bedreigd en racistisch bejegend. Onder deze omstandigheden kan volgens hem niet worden uitgesloten dat bij overdracht aan Duitsland sprake is van een reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand, als bedoeld in het arrest van het HvJ van 16 februari 2017 in de zaak C.K. tegen Slovenië. De rechtbank oordeelt als volgt.
  4. In het algemeen mag verweerder ten opzichte van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan. Naar het oordeel van de rechtbank is hij daar niet in geslaagd. Eisers stelling dat Duitsland heeft gehandeld in strijd met artikel 15 van de Procedurerichtlijn slaagt niet, reeds nu deze niet nader is onderbouwd. Voor zover eiser stelt dat hem ten onrechte informatie is onthouden of zal worden onthouden, moet dit worden ingebracht en beoordeeld in Duitsland. Eiser heeft ook overigens geen documenten overgelegd die aanleiding geven voor het oordeel dat in Duitsland sprake is van aan het systeem gerelateerde structurele tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen.
  5. Eiser heeft zijn gestelde psychische klachten niet met (recent gedateerde) medische documenten onderbouwd. Dit betekent dat hij ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat Nederland het meest aangewezen land is om hem medische zorg te bieden, of dat overdracht aan Duitsland een reëel en bewezen risico inhoudt op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand zoals bedoeld in het arrest in de zaak C.K. tegen Slovenië.
  6. De rechtbank merkt ten overvloede op dat eisers gestelde traumatische ervaringen in Duitsland ook geen aanleiding geven om te concluderen dat overdracht aan Duitsland zou getuigen van onevenredige hardheid. Eiser heeft de genoemde ervaringen niet onderbouwd, en niet valt in te zien waarom hij bij eventuele problemen geen bescherming kan verkrijgen bij de Duitse autoriteiten. Verweerder heeft hierin daarom geen aanleiding hoeven zien om eisers asielverzoek aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
  7. Het beroep is ongegrond.
  8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vreemdelingenwet
  9. Verordening (EU) nr. 604/
  10. Richtlijn (EU) nr. 2013/
  11. Hof van Justitie van de Europese Unie. ECLI:EU:C:2017:127.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.