← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2021:8387

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL21.9214 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. M.J. Paffen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. H.J. Metselaar). Procesverloop Bij besluit van 11 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli

  1. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen G.M.A. Al-Harbia. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
  2. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Syrische nationaliteit te bezitten. Hij heeft op 17 maart 2021 een asielaanvraag ingediend.
  3. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Oostenrijk een verzoek om terugname gedaan. Oostenrijk heeft dit verzoek aanvaard.
  4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en stelt dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Hij doet hierbij een beroep op artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening en verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 31 oktober
  5. Verweerder moet een eigen beoordeling maken van de verantwoordelijkheidscriteria. Eiser betoogt dat uit deze beoordeling volgt dat Oostenrijk niet (meer) verantwoordelijk is, maar dat Nederland nu de verantwoordelijke lidstaat is. Eiser voert aan dat hij een gezinslid is in de zin van artikel 2, onder g, van de Dublinverordening en beroept zich op artikel 9 van de Dublinverordening. Hoewel eiser inmiddels meerderjarig is, was hij ten tijde van zijn vlucht uit Syrië nog minderjarig. Dat eiser geruime tijd als volwassene in Oostenrijk heeft verbleven, laat onverlet dat zijn vlucht uit het gezin van zijn moeder noodgedwongen is geweest. Verder voert eiser aan dat artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening van toepassing is, omdat zijn verblijfstitel in Oostenrijk in 2018 is ingetrokken. Voorts is er sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 17 van de Dublinverordening. Het gezin is gebroken door de oorlog in Syrië. Het is onredelijk om eiser op formele gronden gescheiden te houden van zijn moeder, ook al is hij jongvolwassen. Nederland dient de asielaanvraag in behandeling te nemen om te zorgen dat het gezin niet weer uit elkaar gehaald wordt. De rechtbank oordeelt als volgt.
  6. Uit de uitspraak van de Afdeling van 31 oktober 2019 volgt dat een vreemdeling bij aanwending van een rechtsmiddel tegen een door de verzoekende lidstaat genomen overdrachtsbesluit, in een terugnamesituatie geen beroep kan doen op de verantwoordelijkheidscriteria uit hoofdstuk III van de Dublinverordening. Op deze hoofdregel bestaat een uitzondering als een situatie als bedoeld in artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening aan de orde is. Voor een beroep op artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening is vereist dat de vreemdeling zijn asielaanvraag in de aangezochte lidstaat (impliciet) heeft ingetrokken voordat de procedure voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is afgerond. Oostenrijk heeft de verantwoordelijkheid geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Dit betekent dat de asielaanvraag van eiser is afgewezen en daarmee ook dat de procedure tot het vaststellen van de verantwoordelijke lidstaat was afgerond in Oostenrijk. Er is geen sprake van een situatie als in artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening. Dat betekent dat eiser geen beroep kan doen op een hoofdstuk III-criterium.
  7. Gelet op het bovenstaande kan eiser geen beroep doen op artikel 9 en artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening, omdat deze opgenomen zijn hoofdstuk III van de Dublinverordening. De rechtbank stelt bovendien vast dat uit Eurodac niet blijkt dat de Oostenrijkse autoriteiten aan eiser een verblijfsvergunning hebben verleend of dat een verblijfsvergunning is ingetrokken.
  8. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien om het asielverzoek van eiser onverplicht in behandeling te nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. De omstandigheid dat de moeder en broertjes van eiser in Nederland verblijven, heeft verweerder niet hoeven aanmerken als een bijzondere, individuele omstandigheid. De Dublinverordening beoogt wel waarborgen te bieden voor het familie- en gezinsleven, die hun weerslag vinden in de artikelen 8, 9, 10, 11 en
  9. Deze artikelen bieden voor eiser geen uitkomst. Verweerder hoeft niet zonder meer in gezinsverbanden, die door die artikelen niet worden beschermd, aanleiding te zien de behandeling van een aanvraag onverplicht aan zich te trekken.
  10. Het beroep is ongegrond.
  11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vreemdelingenwet
  12. Verordening (EU) nr. 604/
  13. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2019:3672.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.