RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL21.9424 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam 1], eiser V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr. F.A. van den Berg), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R.A.P.M. van der Zanden). Procesverloop Bij besluit van 16 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL21.9425, op 21 juli 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Momand. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Afghaanse nationaliteit te bezitten. Hij heeft op 3 maart 2021 een asielaanvraag ingediend.
- Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening is die lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming wanneer is vastgesteld dat een vreemdeling op illegale wijze de grens van die lidstaat heeft overschreden vanuit een derde land.
- Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat volgens hem Italië op grond van voornoemd artikel 13 verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Hij stelt daartoe dat uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 11 januari 2021 Italië illegaal is ingereisd. Verweerder heeft Italië daarom verzocht om eiser over te nemen. De Italiaanse autoriteiten zijn daarmee op 1 juni 2021 akkoord gegaan. Volgens verweerder staan er geen feiten of omstandigheden in de weg aan overdacht van eiser aan Italië.
- Eiser is van mening dat ten aanzien van Italië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan omdat zich daar aan het systeem gerelateerde structurele tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voordoen. Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiser verwezen naar AIDA rapportages over Italië, Update 2018 van 16 april 2019 en Update 2020 van 3 juni 2021, en het rapport van de SFH, Aktuelle Situation für Asylsuchende in Italien, van 8 mei
- Uit deze rapportages blijkt dat de situatie in Italië ernstig is verslechterd, met name na het Salvini decreet van oktober
- Dublin-terugkeerders krijgen geen toereikende ondersteuning in de vorm van gereserveerde plekken en de toegang tot gezondheidszorg en rechtshulp is verder ingekrompen. Ook verleent Italië pas toegang tot de opvang na formalisering van de asielaanvraag, waardoor het lang kan duren voordat die verleend wordt. De conclusie op grond van voornoemde rapportages is dat kwetsbare personen niet naar Italië moeten worden teruggestuurd. Overdracht van eiser, die kwetsbaar is, zij het niet in de zin van het Tarakhel-arrest, zou dan ook in strijd met artikel 3 van het EVRM zijn. Verder verwijst eiser naar de brief van Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) van 4 mei 2021 alsook het UK News/IRINNews van 9 en 10 januari
- Bovendien blijkt uit de AIDA rapportage Update 2020 ook dat Italië Libië financiert om te voorkomen dat vluchtelingen Italië bereiken. Pushbacks van kwetsbare vluchtelingen op zee is een misdrijf en het Strafhof in Italië heeft geoordeeld dat het 'Memorandum of Understanding' tussen Italië en Libië strijdig is met de Italiaanse Grondwet en internationaal recht. Verder concludeerde het VN-Mensenrechtencomité in een uitspraak van 27 januari 2021 dat Italië zijn internationale verplichtingen, waaronder het respect voor het recht op leven heeft geschonden door een schip dat meer dan 400 mensen vervoerde en begon te zinken, niet onmiddellijk te hulp te komen. Vanwege de disproportionele verdeling van asielzoekers over de lidstaten moeten asielzoekers niet worden overgedragen aan Italië of Griekenland, zo stelde de Europese Commissie in het door haar uitgebrachte New Pact on Migration and Asylum. Ten slotte wijst eiser erop dat ook vanwege de Covid-pandemie afgezien moet worden van overdracht van eiser. Eiser is dan ook van mening dat verweerder de behandeling van zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich moet trekken nu Italië zich niet aan zijn verdragsverplichtingen houdt. De rechtbank oordeelt als volgt.
- Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat ten aanzien van Italië tot op heden nog steeds onverkort kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat ook Dublin-terugkeerders in Italië toegang zullen krijgen tot adequate zorg en opvang. De algemene landeninformatie waarnaar eiser heeft verwezen is daarbij al meegenomen in de beoordeling van de Afdeling. Uit de AIDA-rapportages en het SFH-rapport blijkt weliswaar dat er tekortkomingen zijn, maar niet dat er sprake is van zodanige tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen dat moet worden geconcludeerd dat deze aan de overdracht van Dublin-terugkeerders in de weg staan. Uit de informatie van VWN volgt evenmin dat niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat voor Dublin-terugkeerders geen plaatsen in de opvang zijn gereserveerd en dat bij het verkrijgen van toegang tot opvangcentra wachttijden ontstaan is onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is structurele tekortkomingen. Eiser dient zich met klachten over de tekortkomingen te wenden tot de Italiaanse autoriteiten. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding om anders te oordelen dan de Afdeling heeft gedaan.
- Daarnaast mag verweerder op grond van het claimakkoord ervan uitgaan dat Italië eisers asielaanvraag zal behandelen volgens de geldende Europese richtlijnen, waarbij Dublin-terugkeerders op toereikende wijze worden opgevangen. De overdracht van eiser aan Italië levert niet op voorhand een schending op van artikel 3 van het EVRM. De rechtbank wijst er ten overvloede op dat het EHRM in zijn uitspraak van 15 april 2021 geoordeeld heeft dat er ook in geval van overdracht van kwetsbare vreemdelingen aan Italië geen sprake is van een risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Daarbij komt dat uit het persoonlijke relaas van eiser blijkt dat hij geen asiel heeft aangevraagd in Italië en derhalve geen persoonlijke ervaring heeft met de asielprocedure in Italië.
- De verwijzing naar onwil van Italië om schepen met asielzoekers toe te laten leidt niet tot twijfel over de vraag of Italië haar verplichtingen jegens eiser als Dublin-terugkeerder zal nakomen.
- Het New Pact on Migration and Asylum van de Europese Commissie raakt niet aan de vraag naar het onverplicht in behandeling nemen van eisers individuele asielverzoek op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.
- De rechtbank overweegt verder dat de uitbraak van het coronavirus een tijdelijk beletsel is voor de feitelijke overdracht van eiser. Dit neemt echter de verantwoordelijkheid van Italië voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser niet weg. Het overdrachtsbesluit is rechtmatig. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de termijn voor overdracht, genoemd in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening, nog lang niet is verstreken.
- Verweerder heeft in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening.
- Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Asylum Information Database Swiss Refugee Council Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden Artikel 6, eerste lid, Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten Zie uitspraken van 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131), 29 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1395), 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1861) en 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:986). Europees Hof voor de Rechten van de Mens ECLI:CE:ECHR:2021:0323DEC004659519 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gehoor van 9 maart 2021, p. 6, 7 Deze termijn is volgens artikel 29 van de Dublinverordening zes maanden, te rekenen vanaf de aanvaarding van het overnameverzoek, in het geval van eiser vanaf 1 juni 2021.