Rechtbank DEN Haag Bestuursrecht zaaknummer: SGR 21/4206 uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 augustus 2021 op het verzoek om een voorlopige voorziening van [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker, tegen de minister van Binnenlandse Zaken, verweerder. Overwegingen
- De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening.
- Verzoekster heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. Voor het aannemen van betalingsonmacht is aan verzoekster bij aangetekende brief van 22 juni 2021 een formulier toegezonden over haar inkomen en vermogen, met het verzoek deze binnen één week ingevuld terug te sturen aan de rechtbank. Deze brief is op dezelfde dag ook per e-mail aan verzoekster gestuurd. Op 1 juli 2021 heeft de rechtbank verzoekster nogmaals verzocht dit formulier binnen vijf werkdagen terug te sturen. Verzoekster heeft dit niet gedaan. Bij schrijven en e-mail van 13 juli 2021 heeft de rechtbank aan verzoekster medegedeeld dat haar verzoek om vrijstelling van betaling van het griffierecht is afgewezen en dat zij een nota griffierecht zal ontvangen.
- Bij aangetekende brief van 14 juli 2021 is aan verzoekster een nota griffierecht verstuurd, waarin staat dat het griffierecht binnen twee weken na de dag van verzending moet worden betaald en dat anders het verzoek niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Uit informatie van PostNL blijkt dat de brief op 17 juli 2021 is bezorgd. Tot op heden heeft verzoekster het griffierecht niet betaald.
- Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat een voorlopige voorziening alleen kan worden gevraagd als er een bezwaar- of beroepsprocedure tegen het relevante besluit loopt. Bij aangetekende brief van 22 juni 2021, die ook per e-mail aan verzoekster is verstuurd, heeft de rechtbank verzoekster onder meer verzocht een kopie te sturen van het besluit waar zij het niet mee eens is en een kopie van het bezwaarschrift. Ook op dit punt heeft de rechtbank op 1 juli 2021 aan verzoekster een rappel gestuurd. De rechtbank heeft echter geen van de gevraagde stukken van verzoekster ontvangen.
- Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom kennelijk nietontvankelijk verklaard.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter van de rechtbank verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 augustus
- griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Op grond van artikel 8:82, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 8:41, zesde lid van de Awb. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.