RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: 20/54 COA V165 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2021 op het verzet van Het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa), opposant (gemachtigde mr. S.F. Leeuwin) en [gëopposeerde], gëopposeerde Inleiding Deze uitspraak gaat over het beroep dat de gëopposeerde ingediend heeft tegen de maatregel van 9 december
- In de uitspraak van 14 april 2020 heeft de rechtbank het beroep kennelijk gegrond verklaard. Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. In het verzetschrift heeft opposant toegelicht dat hij het verzetschrift niet nader wil toelichten op een zitting. Overwegingen Opposant heeft op 9 december 2019 een maatregel opgelegd aan gëopposeerde omdat zij zich niet heeft gehouden aan de meldplicht. Met deze maatregel is eenmalig € 12.95,- ingehouden op het leefgeld van gëopposeerde. Gëopposeerde heeft tegen deze maatregel beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de uitspraak van 14 april 2020 geoordeeld dat opposant niet bevoegd was om deze maatregel op te leggen aan gëopposeerde omdat gëopposeerde zich éénmalig niet heeft gemeld terwijl voor het opleggen van de maatregel is vereist dat een persoon zich gedurende twee weken, of gedurende twee opeenvolgende keren zich niet aan de meldplicht houdt. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij het beroep kennelijk gegrond verklaard zonder eerst een zitting te houden. Dit mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht. Volgens opposant heeft de rechtbank ten onrechte het beroep kennelijk gegrond verklaard. Opposant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat er op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) een tweewekelijkse meldplicht geldt voor gëopposeerde Uit artikel 19, eerste lid, sub e van de Rva 2005 blijkt dat er een wekelijkse meldplicht geldt voor gëopposeerde. Opposant was om die reden bevoegd om via een maatregel eenmalig het leefgeld in te houden, aldus opposant. De rechtbank is het niet eens met opposant. De rechtbank is met opposant van oordeel dat op grond van artikel 19, eerste lid, onder e van de Rva 2005 een wekelijkse meldplicht geldt voor gëopposeerde. Het feit dat er een wekelijke meldplicht geldt voor gëopposeerde betekent echter niet dat opposant een maatregel mag opleggen als gëopposeerde éénmalig niet heeft voldaan aan de wekelijkse meldplicht. Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rva 2005 is opposant pas bevoegd om via een maatregel het leefgeld in te houden als gëopposeerde gedurende twee weken, dan wel gedurende twee opeenvolgende keren niet heeft voldaan aan de wekelijke meldplicht van artikel 19, eerste lid, onder e van de Rva
- Uit de uitspraak van 14 april 2020 blijkt niet dat gëopposeerde zich gedurende twee weken of gedurende twee opeenvolgende keren niet aan de wekelijkse meldplicht heeft voldaan. In die uitspraak van 14 april 2020 wordt overwogen dat uit de stukken niet is gebleken dat gëopposeerde gedurende twee weken, dan wel gedurende twee opeenvolgende keren niet heeft voldaan aan de meldplicht. De rechtbank ziet dan ook geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de uitspraak van 14 april 2020 onjuist is. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van 14 april 2020 in stand blijft. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. T.E.G. van Heukelom, griffier. De beslissing is uitgesproken op 15 juli 2021 en zal openbaar gemaakt worden door publicatie op rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.