RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: AWB 21/5998 uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 januari 2022 in de zaak tussen [verzoeker] , geboren op [1970] , van Turkse nationaliteit, verzoeker V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. C.A. Madern), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: N. Mikolajczyk). Procesverloop Bij besluit van 12 oktober 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker van 15 juli 2021 tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel arbeid als zelfstandige bij ‘ [kledingreparatie] ’ afgewezen. Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari
- Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk. Tevens is aan de zijde van verzoeker verschenen: [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet. Spoedeisend belang
- De voorzieningenrechter ziet zich eerst voor de vraag gesteld of er sprake is van onverwijlde spoed als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
- Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat het spoedeisend belang ontbreekt, omdat uit navraag bij de Dienst Terugkeer & Vertrek op 11 januari 2022 is gebleken dat er nog geen concrete uitzettingsdatum bekend is. Van een concrete dreigende uitzetting is daarom geen sprake. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het een ongeschreven regel is dat een vreemdeling in de meeste gevallen niet wordt uitgezet hangende de bezwaarfase en dat dit ook voor deze zaak geldt.
- De voorzieningenrechter is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat het besluit van 12 oktober 2021 voor uitvoering vatbaar is geen spoedeisend belang oplevert als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. De enkele plicht om Nederland te verlaten, levert niet zonder meer een spoedeisend belang op. Het is op dit moment niet duidelijk dat en zo ja, op welke termijn uitzetting van verzoeker zal plaatsvinden. Indien concrete uitzetting dreigt, kan verzoeker opnieuw een verzoek om voorlopige voorziening indienen. Ook de enkele strafbaarheid wegens een uitgevaardigd inreisverbod levert geen spoedeisend belang op.
- De door verzoeker gevraagde voorziening kan nog worden getroffen als het besluit van verweerder ‘evident onrechtmatig’ is. Daarmee wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. Van die situatie is de voorzieningenrechter niet gebleken, zodat er evenmin op die grond aanleiding is een voorlopige voorziening te treffen. Conclusie
- Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Ettikhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 januari
- griffier voorzieningenrechter (de voorzieningenrechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen) Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:665) en 22 september 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2109).