← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2022:10045

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummers: NL22.5659 en NL22.5661 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [naam], eiseres 1 V-nummer: [nummer] [naam2] , eiseres 2 V-nummer: [nummer2], gezamenlijk te noemen eiseressen (gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. N. Hamzaoui). Procesverloop Bij twee afzonderlijke besluiten van 1 april 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvragen van eiseressen afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiseressen hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft de beroepen op 22 september 2022 op zitting behandeld. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk. Overwegingen De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

  1. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiseressen nog procesbelang hebben bij hun beroepen.
  2. Bij brief van 23 juni 2022 heeft verweerder de rechtbank meegedeeld dat eiseressen met onbekende bestemming zijn vertrokken. Daarbij heeft verweerder een schermafdruk overgelegd waaruit blijkt dat eiseressen volgens het Centraal Orgaan asielzoekers (COa) met ingang van 21 juni 2022 hun woning hebben verlaten. Bij bericht van 23 juni 2022 heeft de gemachtigde van eiseressen laten weten dat eiseressen nog belang hebben bij hun beroep en nog met gemachtigde in contact staan.
  3. Bij bericht van 20 september 2022 heeft de gemachtigde van eiseressen meegedeeld dat eiseressen niet meer in Nederland verblijven, dat zij niet ter zitting zullen verschijnen en dat ook gemachtigde daarom niet ter zitting zal verschijnen. Verweerder heeft op 21 september 2022 opnieuw een schermafdruk overgelegd waaruit blijkt dat eiseressen volgens het COa op 21 juni 2022 met onbekende bestemming zijn vertrokken. De rechtbank leidt hieruit af dat eiseressen zich tussentijds niet weer op enig moment voor opvang in Nederland hebben gemeld.
  4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat voor de vraag of de vreemdeling nog procesbelang heeft, niet alleen vereist is dat hij contact met zijn gemachtigde heeft, maar ook dat hij in Nederland verblijft en dat zijn gemachtigde weet waar hij verblijft. De gemachtigde van eiseressen heeft met het bericht van 20 september 2022 laten weten dat eiseressen niet meer in Nederland, maar nog wel binnen de Europese Unie dan wel in een land wat partij is bij de Dublinverordening verblijven. Daaruit concludeert de rechtbank dat eiseressen kennelijk geen prijs meer stellen op een inhoudelijke beoordeling van hun verzoek om internationale bescherming. Dat eiseressen nog wel onder de Dublinverordening bij Nederland kunnen worden geclaimd, leidt niet tot een ander oordeel.
  5. Eiseressen hebben zich aanvullend op het standpunt gesteld dat zij. ondanks het feit dat zij niet langer in Nederland verblijven, in elk geval belang hebben bij een oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van de op hen toegepaste grensprocedure. De rechtbank deelt die opvatting niet. Ook een dergelijk oordeel vergt immers een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit naar aanleiding van het verzoek van eiseressen om internationale bescherming.
  6. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseressen geen belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep.
  7. De beroepen zijn niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2022 door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. N.F. Kreeftmeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.