RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.1078 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. J. van Bennekom), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: M. Janssen). Procesverloop Bij besluit van 20 januari 2022 heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder het zaaknummer NL22.
- In dezelfde zaak heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Eiser heeft daarnaast beroep ingesteld tegen zijn staande-, op- en aanhouding. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder het zaaknummer NL22.
- Verweerder heeft op 28 januari 2022 de maatregel van bewaring opgeheven. Eiser heeft vervolgens het beroep met zaaknummer NL22.104 ingetrokken. Het verzoek om een voorlopige voorziening heeft eiser gehandhaafd. Hierop zal de voorzieningenrechter afzonderlijk beslissen. Eiser heeft het beroep met zaaknummer NL22.1078 ook gehandhaafd. Dit is het beroep dat in deze uitspraak wordt beoordeeld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep met zaaknummer NL22.1078 op 31 januari 2022 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Eiser stelt van Libische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1982].
- Volgens eiser blijkt uit – onder meer – het proces-verbaal van bevindingen van 20 januari 2022 dat sprake is geweest van een verkapte vreemdelingenrechtelijke aanhouding. Zijn staande-, op- en aanhouding zijn daarom volgens eiser onrechtmatig geweest.
- De rechtbank overweegt als volgt.
- Uit de processtukken (waaronder het door eiser genoemde proces-verbaal van bevindingen) blijkt dat de auto waarin eiser reed, door de politie van de weg is gehaald omdat de auto een kapot dimlicht en een kapotte afdekkap op het rechterachterlicht had en omdat sprake was van – kort gezegd – opvallend rijgedrag. Uit de processtukken blijkt verder dat de verbalisant, vóórdat de auto tot stoppen werd gemaand, via het districtsbureau van politie het kenteken van de auto heeft laten checken en dat daaruit is gebleken dat de auto in november 2021 was gebruikt door iemand zonder rijbewijs. Naar aanleiding hiervan heeft de verbalisant de auto een stopteken gegeven.
- Vervolgens heeft de verbalisant de bestuurder om diens rijbewijs gevraagd. De bestuurder heeft daarop een document overhandigd, waarvan hij aangaf dat dit een Libisch internationaal rijbewijs was. Dit document stond op naam van eiser. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat de verbalisant pas op dat moment bekend is geworden met de (vermoedelijke) identiteit van eiser.
- Daarna heeft de verbalisant om een origineel rijbewijs gevraagd. Eiser heeft hierop geantwoord dat hij dat niet had, maar dat het internationale rijbewijs bij een eerdere controle wel door de politie was geaccepteerd. De verbalisant heeft eiser er vervolgens op gewezen dat dit niet juist was, omdat hij in november 2021 een boete had gekregen wegens rijden zonder rijbewijs. In dit kader moeten de opmerkingen worden bezien die de verbalisant in het proces-verbaal van bevindingen heeft opgenomen, te weten: “Later zou blijken dat dit de nu aangehouden verdachte [eiser] was geweest.” en “Ik vorderde [eiser] het bijbehorende originele rijbewijs.(…). Ik vertelde hem dat hij in november 2021 nog een bekeuring had gehad voor rijden zonder rijbewijs, dus dat dit kennelijk niet altijd het geval was.”
- Vervolgens heeft eiser aan de verbalisant een verlopen Nederlands vreemdelingendocument laten zien. De verbalisant heeft de daarop vermelde personalia laten checken via het districtsbureau en hieruit is gebleken dat eiser geen geldige verblijfstitel had. Op dat moment ontstond het redelijk vermoeden van illegaal verblijf.
- De rechtbank oordeelt dat uit de hiervoor beschreven gang van zaken afdoende blijkt dat geen sprake is geweest van een verkapte vreemdelingenrechtelijke aanhouding. Dat er geen strafrechtelijke vervolging is ingesteld tegen eiser maakt dit niet anders. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat in het proces-verbaal van voorgeleiding van 20 januari 2022 staat dat eiser zelf een advocaat zou moeten betalen. Wat er ook zij van die opmerking, vast staat dat op 20 januari 2022 een piketmelding is gedaan en dat eiser tijdens de onderhavige procedure bijstand heeft gehad van een toegevoegde raadsman. De rechtbank gaat niet in op eisers stellingen ten aanzien van de bedrijfscultuur binnen het Rotterdamse politiekorps. Eiser heeft zijn stellingen op dit punt namelijk slechts in algemene bewoordingen onderbouwd.
- De rechtbank ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen, zoals eiser heeft verzocht. Die vragen kunnen niet bijdragen aan de beantwoording van de rechtsvraag in deze zaak.
- Het beroep is ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op: 03 februari 2022 en is openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl Mr. J.G. Nicholson M.A.W.M. Engels Rechter Griffier Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland Documentcode: [Documentcode] Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open