Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2022:10284
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht, locatie Amersfoort Bestuursrecht zaaknummer: NL21.10506 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. R.C. van den Berg), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder Procesverloop In het besluit van 26 oktober 2020 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] (referent)’ afgewezen.
In het besluit van 8 juni 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 25 januari 2022 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens zijn verschenen referent en de tante van eiser, mevrouw [A] . Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Overwegingen Inleiding 1. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [2015] . Eiser stelt dat hij in Nigeria woont bij zijn moeder, [B] en dat zij niet goed voor hem kan zorgen. Eiser wil daarom bij zijn oom, referent, en zijn echtgenote [A] in Nederland verblijven.
Bestreden besluit 2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat onder meer niet is aangetoond dat eiser in Nigeria geen aanvaardbare toekomst heeft. Volgens verweerder is geen sprake van zodanige omstandigheden dat eiser niet of bezwaarlijk door zijn moeder of door naaste bloed- of aanverwanten in Nigeria kan worden verzorgd. Dat eisers moeder met verslavingsproblemen kampt en daarom niet voor hem kan zorgen, is niet met medische stukken aangetoond. Verder zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat eisers gestelde ouders ook daadwerkelijk zijn ouders zijn en dat de vader van eiser is overleden. Daarom is ook niet gebleken dat de ouders van eiser toestemming geven voor zijn vertrek naar Nederland. Ook heeft eiser niet met stukken aangetoond dat er sprake is van een familierechtelijke relatie tussen mevrouw [A] en eiser. Verweerder heeft verder aan eiser tegengeworpen dat hij ook niet heeft voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.28, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) nu hij geen medische verklaring heeft overgelegd.
Wettelijk kader 3. Voor alle regels die op deze zaak van toepassing zijn, wordt verwezen naar de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak. In verband met de eisen die het systeem stelt, is deze bijlage te vinden direct na het dictum in deze uitspraak en voor de ondertekening.
Onaanvaardbare toekomst 4. Eiser voert - samengevat - aan dat hij in Nigeria geen aanvaarbare toekomst heeft. Zijn moeder is verslaafd en is niet in staat om voor hem te zorgen. Eiser lijdt aan verwaarlozing en bevindt zich in een zwaardere positie dan zijn leeftijdsgenoten in Nigeria. De verslavingsproblemen van de moeder van eiser zijn niet op te lossen, omdat er geen verslavingshulp is. Een bijdrage uit Nederland zou ook geen soelaas bieden. In Nigeria zijn er geen fatsoenlijke weeshuizen en er is ook geen familie die voor hem kan zorgen. Eiser voert aan dat uit de stukken in voldoende mate blijkt dat zijn moeder ook daadwerkelijk zijn moeder is. Eiser verwijst ter onderbouwing naar de verklaring over alleenstaand ouderschap.
Daaruit blijkt ook dat zijn vader is overleden. Eiser voert verder aan dat de familierechtelijke relatie met referent voldoende aannemelijk is 5. De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of eiser in Nigeria een onaanvaardbare toekomst heeft, verweerder beoordelingsruimte heeft.1 De rechtbank moet verweerders standpunt daarover daarom terughoudend toetsen. Verder wordt op grond van het beleid in paragraaf B7/3.7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) pas aangenomen dat voor het kind geen aanvaardbare toekomst is weggelegd in het land van herkomst, als sprake is van zodanige omstandigheden, dat het kind niet of bezwaarlijk door in het land van herkomst wonende naaste bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd.
Medische verklaring 8. De rechtbank stelt vast dat eiser geen medische verklaring heeft overgelegd, terwijl dit gelet op artikel 3.28, derde lid, van het Vb wel nodig is. De stelling van eiser dat de verklaring van het ziekenhuis, de verklaring van de school en de foto’s van eiser in samenhang als een dergelijke verklaring moeten worden aangemerkt volgt de rechtbank niet. Hieruit kan niet worden vastgesteld of eiser lijdt aan een gevaarlijke, besmettelijke of langdurige lichamelijke of geestelijke ziekte. Verweerder heeft dit daarom terecht aan hem tegengeworpen.
Horen in bezwaar 10. Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat de hoorplicht is geschonden.
Artikel 4:84 van de Awb 12. De rechtbank is tot slot van oordeel dat de enkele niet onderbouwde stelling van eiser ter zitting dat hij een beroep doet op 4:84 van de Awb niet tot een ander oordeel kan leiden, nu eiser deze grond in zijn geheel niet heeft geconcretiseerd.
Conclusie 13. Het beroep is ongegrond.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, rechter, in aanwezigheid van L.S. Lodder, griffier.
Bijlage Artikel 3.28 van het Vb De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid worden verleend aan de minderjarige vreemdeling: die als pleegkind in Nederland wil verblijven in het gezin van één of meer Nederlanders of vreemdelingen met rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet; en die naar het oordeel van Onze Minister in het land van herkomst geen aanvaardbare toekomst heeft.
De aspirant-pleegouders dienen in staat te zijn de vreemdeling een goede opvoeding en verzorging te geven.
Bij de aanvraag wordt een medische verklaring overgelegd.
De aanvraag wordt niet op grond van artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet afgewezen, indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt of naar het oordeel van Onze Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is.
Paragraaf B7/3.7.1 van de Vc De IND beschouwt als buitenlandse pleegkinderen vreemdelingen die:
De IND neemt aan dat voor het kind geen aanvaardbare toekomst, als bedoeld in artikel 3.28, eerste lid, aanhef en onder b, Vb is weggelegd in het land van herkomst, als sprake is van zodanige omstandigheden, dat het kind niet of bezwaarlijk door in het land van herkomst wonende naaste bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd.
De IND neemt niet aan dat sprake is van een onaanvaardbare toekomst als bedoeld in artikel 3.28, eerste lid, aanhef en onder b, Vb als het kind verblijft bij zijn ouders in minder welvarende omstandigheden, voor zover die omstandigheden ter plaatse als normaal zijn te beschouwen. (…) Paragraaf B7/3.7.2 van de Vc In aanvulling op de in artikel 3.28 Vb opgenomen voorwaarden, verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking familie- of gezinslid, als ook wordt voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden: het buitenlandse pleegkind is een bloed- of aanverwant als bedoeld in artikel 1:3 BW van de referent; a.de ouder(s) of de wettelijke vertegenwoordiger(s) van het kind stemmen in met het verblijf van het kind in het gezin van de aspirant-pleegouders; óf b.de autoriteiten in het land van herkomst stemmen in met het verblijf van het kind in het gezin van de aspirant-pleegouders, in het geval dat de ouder(s) of de wettelijke vertegenwoordiger(s) overleden zijn of een onbekende verblijfplaats hebben; en 3. het gezag van de aspirant-pleegouder(s) over het kind is geregeld door de bevoegde autoriteiten.
Paragraaf B7/3.2.3 van de Vc De IND wijst de aanvraag op grond van artikel 3.14, aanhef en onder c, Vb af als:
De toestemming van de daartoe competente buitenlandse instantie kan voor de hierboven bedoelde toestemming in de plaats worden gesteld als de ouder wiens toestemming is vereist:
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
08 februari 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
Documentcode: [documentcode] Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.