RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 21/4348 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 oktober 2022 in de zaak tussen de Minister van Justitie en Veiligheid, te Den Haag, eiser (gemachtigden: mr. S.J.C. Opgenhaeffen en mr. W.B. van Lingen), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder (gemachtigde: mr. D. Spiering-Kalay). Als derde-partij neemt aan het geding deel [derde-partij], te [woonplaats] (gemachtigde: mr. R.H.A. Wessel). Procesverloop In het besluit van 25 november 2020 (primair besluit) heeft verweerder een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aan [derde-partij] toegekend met ingang van 1 december 2020. In het besluit van 19 mei 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft desgevraagd op 23 augustus 2022 een nadere reactie ingebracht. De derde-partij heeft hier dezelfde dag schriftelijk op gereageerd. De rechtbank heeft het beroep op 24 augustus 2022 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De derde-partij is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Overwegingen Waar gaat deze zaak over? 1. [derde-partij] (de werkneemster) was laatstelijk werkzaam als operationeel manager van de administratie bij het Openbaar Ministerie (OM). Op 20 februari 2019 heeft de werkneemster zich ziekgemeld. De werkneemster heeft op 14 juni 2019 aan haar contactpersoon gedurende haar reïntegratie binnen het OM gemeld, dat zij in de daaropvolgende week op de dinsdag, woensdag en donderdag op het werk aanwezig zal zijn. Daarnaast heeft zij gemeld dat er op maandag 17 juni 2019 een bespreking gepland staat met een maatschappelijk werkster in verband met de opname van haar moeder in een verzorgings- dan wel verpleeghuis en dat zij bij dat gesprek aanwezig wenste te zijn, samen met haar zus. De werkneemster is op zondag 16 juni 2019 met haar dochter en de vriend van haar dochter met haar eigen auto naar Heerlen gereden, waar zij zijn overgestapt in een voertuig met Italiaanse kentekenplaten. De werkneemster is diezelfde dag in Duitsland aangehouden en in voorlopige hechtenis genomen op verdenking van het plegen van een strafbaar feit. De werkneemster was bij aanhouding inzittende van een voertuig waarin harddrugs zijn aangetroffen. Op 17 juni 2019 heeft de echtgenoot van de werkneemster haar telefonisch ziekgemeld bij het OM. Op 21 juni 2019 heeft het OM aan de werkneemster bericht dat zij er op 20 juni 2019 mee bekend was geworden dat de werkneemster in Duitsland is aangehouden op verdenking van een strafbaar feit waarvoor zij in voorlopige hechtenis was genomen en de werkneemster geschorst met behoud van bezoldiging, waarbij haar tevens de toegang tot de werkplek is ontzegd. 1.1. Op 6 augustus 2019 is het Bureau Integriteit van het OM (BIOM) een disciplinair feitenonderzoek tegen de werkneemster gestart. In dat kader heeft de werkneemster op 6 augustus 2019 een intakegesprek gehad en de aan haar ten dienstwege verstrekte iPad ingeleverd. De iPad was bij inlevering geschoond en teruggezet naar de oorspronkelijke fabrieksinstellingen. Over de door de Duitse autoriteiten in beslag genomen diensttelefoon heeft de werkneemster verklaard dat zij de bij de diensttelefoon horende simkaart voor de aanhouding in haar privé-telefoon had geplaatst en dat zij de diensttelefoon tijdelijk aan haar dochter ter beschikking had gesteld. 1.2. Naar aanleiding van het rapport van het BIOM van 2 april 2020 heeft het OM aan de werkneemster kenbaar gemaakt dat zij tot een beëindiging van het dienstverband wenste te komen. Hierover is overleg gevoerd, maar dit heeft niet tot overeenstemming geleid. Op 2 juli 2020 heeft de Staat der Nederlanden (de Staat) de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden. In de beschikking van 17 augustus 2020 heeft de kantonrechter te Rotterdam de arbeidsovereenkomst tussen de Staat en de werkneemster met ingang van 1 december 2020 ontbonden, omdat sprake is van verwijtbaar handelen van de werkneemster. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de verweten gedragingen c.q. het nalaten niet kwalificeren als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten, zodat de werkneemster wel recht heeft op een transitievergoeding. 1.3. De werkneemster heeft op 24 november 2020 een WW-uitkering bij verweerder aangevraagd. In het primaire besluit heeft verweerder de werkneemster met ingang van 1 december 2020 een WW-uitkering toegekend. 2. In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Dit berust op het standpunt dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen, waarmee geen sprake is van een dringende reden. Immers is niet vast komen te staan dat de werkneemster wetenschap had van de harddrugs in de auto en van de strafrechtelijke antecedenten van de vriend van haar dochter. Verder is de werkneemster niet strafrechtelijk vervolgd, had zij een langdurig dienstverband, functioneerde zij altijd goed en hebben zich niet eerder incidenten rondom haar voorgedaan. De werkneemster is daarom niet verwijtbaar werkloos geworden. Wat zijn de standpunten van partijen? 3. Eiser heeft in beroep - samengevat weergegeven - aangevoerd dat verweerder ten onrechte stelt dat de vraag die beantwoord moet worden is of sprake is van ernstig verwijtbaar handelen en dus van een dringende reden en dat verweerder niet alle omstandigheden (voldoende) heeft meegewogen. Verweerder heeft geen zelfstandig oordeel gevormd over de vraag of sprake is van een dringende reden ter zake waarvan de werkneemster een verwijt kan worden gemaakt. Verweerder lijkt zonder enige motivering af te wijken van het oordeel van de kantonrechter, die de gedragingen van de werkneemster weliswaar niet als ernstig verwijtbaar maar wel als verwijtbaar heeft bestempeld. Het bestreden besluit is dan ook onvoldoende gemotiveerd. Tot slot verzoekt eiser de rechtbank verweerder te veroordelen tot het vergoeden van de schade als gevolg van het bestreden besluit. 4. Verweerder heeft in de brief van 23 augustus 2022 zijn standpunt gewijzigd in die zin dat aan de werkloosheid wel een dringende reden ten grondslag ligt, maar dat de werkneemster ter zake geen verwijt kan worden gemaakt. Verweerder heeft ter zitting erkend dat de motivering van het bestreden besluit daarom onjuist is. De rechtbank zal in het vervolg van deze uitspraak beoordelen of verweerder het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld. Als dat het geval is, kan de rechtbank besluiten dat het beroep wel gegrond is, maar dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven waardoor de toekenning van de WW-uitkering aan de werkneemster toch blijft gelden. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. Op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW voorkomt de werknemer dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt. Als de werknemer de verplichting om verwijtbare werkloosheid te voorkomen niet is nagekomen, brengt verweerder op grond van artikel 27, eerste lid, eerste zin van de WW een bedrag blijvend op de uitkering in mindering, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. 6. Ter beoordeling ligt voor of verweerder terecht heeft beslist dat de werkneemster niet verwijtbaar werkloos is geworden als omschreven in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW. 6.1. Gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 november 2018 dient voor de vraag of er sprake is van verwijtbare werkloosheid, gelet op de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, een materiële beoordeling plaats te vinden van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt. Daarbij is artikel 7:678 van het BW de maatstaf en moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Tot de elementen die moeten worden gewogen, behoren de aard en ernst van de gedraging(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.