Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer Rekestnummer: HA RK 21-442 Zaaknummer: C/09/620636 Datum beschikking: 29 september 2022 Beschikking op het op 11 november 2021 ingekomen verzoekschrift van: [Y] , verzoeker, wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. M.K. Bhadai te ’s-Gravenhage. Als belanghebbende wordt aangemerkt: DE STAAT DER NEDERLANDEN, Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, verder te noemen de IND, zetelende te ’s-Gravenhage, vertegenwoordigd door: mr. J.A.M. van der Klis. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift; - de brief van 25 maart 2022 van de IND; - de brief van 1 juni 2022 van de zijde van verzoeker; - de conclusie van de officier van justitie, ingekomen op 27 juni 2022, waarin deze onder andere schriftelijk heeft medegedeeld geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de mondelinge behandeling. De rechtbank heeft een mondelinge behandeling bepaald op 30 augustus
- Bij e-mailbericht van 22 augustus 2022 heeft mr. Bhadai bericht dat hij noch zijn cliënt zal verschijnen op de geplande mondelinge behandeling. Hij heeft namens zijn cliënt toestemming gegeven om de zaak op de stukken af te doen. Bij e-mailbericht van 23 augustus 2022 heeft de IND bericht geen behoefte te hebben aan een mondelinge behandeling. De rechtbank heeft partijen vervolgens bericht dat de zaak op de stukken afgedaan zal worden en een datum voor beschikking bepaald. Verzoek en het standpunt van de IND en de officier van justitie Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van het Nederlanderschap van verzoeker op grond van artikel 3 lid 1 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), met veroordeling van de IND in de proceskosten, een en ander bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad. De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek. De officier van justitie heeft bij voormelde conclusie medegedeeld zich aan te sluiten bij het standpunt van de IND. Feiten Verzoeker is op [geboortedatum 1] 1997 te [geboorteplaats] , Suriname geboren uit het huwelijk van [vader] (hierna: de vader van verzoeker) en [moeder] (hierna: de moeder van verzoeker). De vader van verzoeker is op [geboortedatum 2] 1974 te [geboorteplaats] geboren. Uit een verklaring van het Bureau Burgerzaken van Suriname met nummer [nummer] van 6 november 2006 blijkt dat de vader van verzoeker tot 25 november 1975 in het bezit is geweest van de Nederlandse nationaliteit. De moeder van verzoeker is op [geboortedatum 3] 1978 te [geboorteplaats] , Suriname, geboren uit het huwelijk van [ouder 1] en [ouder 2] . De ouders van de moeder hadden op het moment van geboorte van de moeder geen van beiden de Nederlandse nationaliteit. De moeder van verzoeker heeft bij haar geboorte de Surinaamse nationaliteit gekregen. Bij Koninklijk Besluit van [datum KB] 2007 is de vader van verzoeker genaturaliseerd. Verzoeker heeft niet gedeeld in deze naturalisatie. Aan verzoeker is op 1 september 2019 een verblijfsvergunning regulier verleend tot 30 november
- Hij staat ingeschreven op een woonadres te [woonplaats] . Beoordeling In geschil is of verzoeker in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Verzoeker stelt dat dit het geval is en voert daartoe, verkort weergegeven, het volgende aan. Verzoeker meent dat hij afstamt van een Nederlandse grootmoeder, die het Nederlanderschap aan haar dochter heeft doorgegeven, zodat verzoeker is geboren uit een Nederlandse moeder. Volgens de IND is verzoeker geboren uit ouders die op het moment van zijn geboorte geen van beiden de Nederlandse nationaliteit bezaten. Dat maakt dat verzoeker niet op grond van artikel 3 lid 1 RWN het Nederlanderschap heeft verkregen. Ook nadien heeft verzoeker volgens de IND het Nederlanderschap niet verkregen, omdat hij als minderjarige niet heeft gedeeld in de naturalisatie van zijn vader. De rechtbank overweegt als volgt. Verzoeker is geboren op [geboortedatum 1]
- Dat betekent dat de RWN van kracht is en dat de rechtbank op grond van artikel 3 lid 1 van deze wet moet toetsen of verzoeker het Nederlanderschap heeft gekregen. Artikel 3 lid 1 RWN bepaalt: ‘Nederlander is het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of moeder Nederlander is’. Ten aanzien van de vader van verzoeker Uit de door de IND overgelegde verklaring van het Bureau voor Burgerzaken van distrikt [district] , Suriname, met nummer [nummer] van 6 november 2006 blijkt dat de vader van verzoeker tot 25 november 1975 de Nederlandse nationaliteit heeft bezeten. Ook blijkt uit de onweersproken stelling van de IND dat de vader van verzoeker bij Koninklijk Besluit van [datum KB] 2007 is genaturaliseerd. In de tussenliggende jaren, waarin verzoeker is geboren, bezat zijn vader niet de Nederlandse nationaliteit. Uit het Koninklijk Besluit van naturalisatie van de vader van verzoeker blijkt niet dat verzoeker als minderjarige in deze naturalisatie heeft gedeeld. Verzoeker heeft dan ook niet de Nederlandse nationaliteit via zijn vader verkregen. Ten aanzien van de moeder van verzoeker De moeder van verzoeker is geboren uit twee Surinaamse ouders. Niet is gebleken dat de moeder van verzoeker op enig moment de Nederlandse nationaliteit heeft bezeten. Verzoeker kan de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 3 lid 1 RWN dus niet aan zijn moeder hebben ontleend, omdat zijn moeder de Nederlandse nationaliteit zelf niet bezat of heeft bezeten. Conclusie Verzoeker heeft op grond van de RWN de Nederlandse nationaliteit niet aan één van zijn ouders ontleend, omdat zijn ouders op het moment van zijn geboorte zelf geen Nederlanders waren. Ook anderszins is niet gebleken dat verzoeker op enig moment de Nederlandse nationaliteit heeft gekregen. Zijn verzoek, om vast te stellen dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit, zal dan ook als niet op de wet gegrond worden afgewezen. Proceskosten Het verzoek om de IND in de kosten van deze procedure te veroordelen, zal als niet op de wet gegrond worden afgewezen. De IND wordt met deze beslissing niet in het ongelijk gesteld en ook overigens heeft verzoeker geen reden aangevoerd voor deze proceskostenveroordeling. Beslissing De rechtbank: wijst het verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M. Vink, H.M. Boone en C.S.F. de Nijs, rechters, bijgestaan door mr. I.M. Talstra - Touwen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 september 2022.