Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummers: 09/270294-20; 09/134938-20 (ttz. gev.) en 09/072081-20 (ttz. gev.) Datum uitspraak: 16 februari 2022 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 1993 te Den Haag, op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam 1] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 31 januari en 1 en 2 februari
(13)jaar heeft vastgezeten en dat deze [naam 16] [aangever 2] gaat neersteken als hij, [aangever 2] , niet gaat betalen en dat hij, verdachte, [naam 16] gaat inhuren om [aangever 2] te vermoorden; 5 hij 21 juli 2019 te ’s-Gravenhage, uit een woning (perceel [adres 3] ) sieraden en een playstation, die toebehoorden aan [naam 14] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel, door een door middel van dwang verkregen huissleutel; 6 hij op 30 juli 2019 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 3] heeft bewogen tot de afgifte van goederen, te weten sieraden en een telefoon, door die [aangever 3] een drankje te geven met GHB er in en (vervolgens) aan die [aangever 3] te vertellen/vragen - dat [aangever 3] voor hen zou kunnen werken en - dat de werkzaamheden bestaan uit het bezorgen van pakketjes met telefoon(
- s)en/of siera(a)d(
- en)en - dat [aangever 3] € 30,- per pakketje kan verdienen - dat [aangever 3] eerst een borg moet betalen die qua waarde gelijk staat aan de waarde van de pakketjes (circa € 5.000,- per pakket) en - dat [aangever 3] voornoemde borg (siera(a)d(
- en)en/of telefoon) zal terug krijgen als ze het pakketje heeft bezorgd en er geld voor heeft gekregen en dit geld (vervolgens) overdraagt aan verdachte en zijn mededader(
- s)en - of hij, verdachte, de sieraden en telefoon van die [aangever 3] mag bekijken en - of zij haar sieraden en telefoon wil inleveren; 8 hij op tijdstippen in de periode van 28 juni 2019 tot en met 18 september 2019 te 's-Gravenhage, door diverse sieraden in te leveren bij een opkoper ( [naam 12] ), die sieraden heeft omgezet, terwijl hij wist dat die voorwerpen -onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf. Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten en omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad. 4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De strafoplegging 6.1. De vordering van de officier van justitie De officieren van justitie hebben gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Daarnaast hebben zij gevorderd dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging (verder: de TBS-maatregel) zal worden opgelegd. 6.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verweer gevoerd tegen de oplegging van de TBS-maatregel. De deskundigen hebben daartoe immers niet geadviseerd. De raadsman heeft voorwaardelijk verzocht, in het geval de rechtbank toch zou overwegen om de TBS-maatregel op te leggen, om alsnog de psycholoog en psychiater als deskundigen te horen. In het kader van de strafmaat heeft de raadsman verzocht om rekening te houden met de, voor de verdachte nadelige, nieuwe V.I.-regeling. 6.3. Het oordeel van de rechtbank Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. 6.3.1. De ernst van de feiten De verdachte heeft zich in relatief korte tijd schuldig gemaakt aan lange lijst van gewelds- en vermogensdelicten. In die lijst is een duidelijk patroon te herkennen, waarbij de verdachte kwetsbare slachtoffers door middel van drogeren en andere vormen van geweld nog meer weerloos maakt en ze vervolgens berooft. Vrijwel alle slachtoffers waren minderjarig of nog maar net meerderjarig. Verdachte, gebruikmakend van een valse naam, lokt ze met beloftes van werk, een date of gewoon samen ‘chillen’ naar zich toe. Het slachtoffer is dan alleen met de volwassen verdachte en soms diens vrienden. Op een onbewaakt moment voegt hij een bedwelmend middel toe aan het drankje van het slachtoffer, die na het drinken ervan het bewustzijn verliest. Dan berooft de verdachte het slachtoffer van waardevolle spullen. Ook meer rechtstreeks fysiek geweld schuwt de verdachte niet, zoals in de gevallen [naam 5] en [slachtoffer] . De rechtbank acht deze feiten buitengewoon kwalijk. Het uitzoeken van juist jonge, kwetsbare slachtoffers, om deze vervolgens op een geniepige en gewetenloze manier middels drogeren volledig weerloos te maken en te beroven, kan slechts als doortrapt en laf worden gekenmerkt. Het spreekt voor zich dat de slachtoffers, die vertrouwen stelden in de verdachte, behalve door fysieke pijn en letsel, emotioneel zeer zwaar zijn getroffen door het handelen van de verdachte. Uit de ter terechtzitting afgelegde slachtofferverklaringen blijkt dat de jonge mensen nog lang te kampen zullen hebben met de gevolgen daarvan. 6.3.2. De persoon van de verdachte Strafblad De rechtbank heeft kennisgenomen van het recente strafblad van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte veelvuldig met politie en justitie in aanraking is gekomen. De 21 pagina’s van het strafblad spreken wat dat betreft voor zich, hoewel aan de raadsman moet worden toegegeven dat daar veel openstaande zaken en een aantal vrijspraken bij staan. In de afgelopen vijf jaar is de verdachte echter wel degelijk voor soortgelijke feiten onherroepelijk tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf veroordeeld. Psycholoog In zijn rapport van 11 februari 2021 vermeldt psycholoog drs. W.J.L. Lander dat de verdachte niet heeft meegewerkt het psychologisch onderzoek. De verdachte wilde geen reden geven waarom hij niet wilde meewerken. Dubbelrapportage Ter terechtzitting van 17 maart 2021 heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte, gelet op zijn weigerachtige houding, ter observatie zal worden opgenomen in het Pieter Baan Centrum. Daarmee geconfronteerd heeft de verdachte aangegeven alsnog vrijwillig mee te zullen werken aan het opstellen van een NIFP-dubbelrapportage. In mei 2021 zijn twee NIFP-rapporten verschenen omtrent de persoon van de verdachte, opgesteld door psychiater dr. B.A. Blansjaar en GZ-psycholoog drs. H.E.Baas. Beide gedragsdeskundigen komen tot de conclusie dat verdachte lijdt aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis, die ook aanwezig was ten tijde van het ten laste gelegde. De psychiater overweegt dat het risico op gewelddadig gedrag (recidiverisico) wordt ingeschat als matig verhoogd tot hoog. Aangezien de verdachte de ten laste gelegde feiten geheel ontkent kon het eventuele verband van zijn psychische stoornis met die feiten niet worden onderzocht. Daarom ook wordt afgezien van advisering over toerekening, alsmede van advisering over interventies om het (eventuele) recidivegevaar te kunnen beperken. De psycholoog rapporteert dat, nu betrokkene niet spreekt over het tenlastegelegde en een specifieke risicotaxatie hierdoor niet tot stand kon komen, hooguit in algemene zin een verhoogd recidiverisico benoemd kan worden. De aangetroffen antisociale persoonlijkheidsproblematiek speelt hierbij een rol van belang. Daaruit voort vloeien onder andere een beperkt ziektebesef en -inzicht, externaliseren van verantwoordelijkheid en contacten met justitie voort. Er is sprake van een beperkt sociaal netwerk en teleurstelling in mensen en instanties. De verdachte heeft nauwelijks werkervaring en lijkt ook wel irreële verwachtingen hieromtrent te hebben en er is sprake van een beperkte (intrinsieke) hulpvraag en motivatie voor behandeling. In de toekomst worden, in tegenstelling tot zijn verwachtingen, nog wel problemen verwacht. Het is niet goed duidelijk geworden welke interventies het (specifieke) recidivegevaar kunnen beperken, omdat er te weinig zicht is gekregen op dat recidivegevaar. Omdat in algemene zin wel gezegd kan worden dat er een risico is op recidive in agressief gedrag, kan in algemene zin (vanuit zorgoogpunt) ook iets gezegd worden over interventies. De prognose voor de behandelbaarheid van de persoonlijkheidsproblematiek is somber, gezien de afwezige (intrinsieke) motivatie voor behandeling, het beperkte ziektebesef en -inzicht en de mislukte (langerdurende) trajecten in het verleden. Het meeste effect wordt op dit moment verwacht van een outreachende, steunende en structurerende aanpak waarbij met de verdachte wordt ingestoken op zijn vragen rondom werk, wonen en inkomen en waarbij telkenmale met hem wordt besproken hoe hij zo goed mogelijk de vaderrol voor zijn kinderen kan innemen (en waar hij dan het beste van af kan zien). De psycholoog concludeert dat er onvoldoende zicht is gekregen op de eventuele doorwerking van zijn problematiek in het tenlastegelegde en het specifieke recidiverisico. Hierdoor kunnen geen adviezen gegeven worden omtrent eventuele strafrechtelijke juridische kaders. Reclassering De reclassering heeft bij advies van 22 juli 2021 geschreven dat het vanwege de ontkenning en houding van de verdachte lastig is om tot voorwaarden te komen binnen een TBS-kader. De reclassering acht behandeling gericht op zijn persoonlijkheidsstructuur noodzakelijk, maar twijfelt in hoeverre gedragsverandering haalbaar zal zijn en/of een ambulant traject afdoende zal zijn. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. Niettemin adviseert de reclassering positief over TBS met voorwaarden. De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis per 7 september 2021 geschorst onder de voorwaarden die in het TBS-kader zijn geadviseerd. De schorsing van de voorlopige hechtenis is, na terugmelding door de reclassering, op 21 oktober 2021 door de rechtbank weer opgeheven, omdat gebleken was dat de verdachte zich niet aan de schorsingsvoorwaarden had gehouden. In haar tweede advies van 10 november 2021 is de reclassering aanmerkelijk minder positief over de verdachte; er is geen enkel vertrouwen meer dat de verdachte zich aan enig voorwaardelijk kader zal kunnen of willen onderwerpen. Naar de mening van de reclassering zorgt het gebrekkige zelfinzicht er voor dat de verdachte structureel in de problemen komt. In plaats van de samenwerking te zoeken besluit de verdachte te liegen en komt hij hier op een gegeven moment niet meer zelfstandig uit. De verdachte is onbetrouwbaar in zijn uitspraken en geeft in gesprek meerdere malen aan dat hij zit te liegen om zo tot zijn doelen te komen. Een ambulant traject is dan ook onhaalbaar. Er moet enige vorm van samenwerking zijn en de verdachte heeft in korte tijd laten zien dat hij niet in staat is om dit op te bouwen. Daar de persoonlijkheidsproblematiek hardnekkig is, lijkt een klinische opname de enige optie om te komen tot gedragsverandering, maar de verdachte wenst hier op geen enkele manier aan mee te werken. Een voorwaardelijk kader lijkt niet stevig genoeg daar de verdachte niet schrikt van een detentie. Om tot gedragsverandering te komen lijkt TBS met dwangverpleging de enige overgebleven optie. De reclassering schat het recidiverisico in als hoog en adviseert negatief over TBS met voorwaarden. Verminderd toerekeningsvatbaar De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor genoemde rapporten van de deskundigen op een zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de bevindingen van de deskundigen worden gedragen door een deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. Alhoewel de deskundigen door de ontkennende opstelling van de verdachte niet hebben kunnen adviseren omtrent de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte ten aanzien van het thans bewezenverklaarde, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de rapportage wel voldoende dat er bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, te weten de antisociale persoonlijkheidsstoornis. Deze bestond ook ten tijde van het bewezenverklaarde. De rechtbank is van oordeel dat deze stoornis van invloed is geweest op het gedrag van de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde. De rechtbank zal het bewezenverklaarde dan ook in verminderde mate aan de verdachte toerekenen. 1.3.3. Maatregel TBS met dwangverpleging Gelet op het hiervoor overwogene, komt de rechtbank tot de conclusie dat in verband met de ernst van de feiten en de psychische problematiek van de verdachte, ter bescherming van de maatschappij, de oplegging van de TBS-maatregel met dwangverpleging noodzakelijk is om het recidiverisico te kunnen verminderen. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit doel alleen bereikt worden middels een langdurige klinische behandeling in een voldoende beveiligde omgeving van een forensische kliniek. De rechtbank stelt vast dat aan de formele vereisten voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling is voldaan. De bewezenverklaarde feiten betreffen grotendeels misdrijven waarvoor op grond van artikel 37a, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht oplegging van terbeschikkingstelling mogelijk is. Voorts is vastgesteld dat tijdens het begaan van de bewezenverklaarde feiten bij de verdachte sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Tot slot vereist de algemene veiligheid van personen het opleggen van deze maatregel. Bij deze beslissing weegt mee dat aan de verdachte in het verleden al vele kansen zijn gegund om in een voorwaardelijk kader te werken aan recidivebeperking. De rechtbank sluit zich aan bij de overwegingen van de reclassering, in de zin dat enerzijds de stoornis van de verdachte zonder behandeling een onaanvaardbaar risico op recidive meebrengt, en dat het anderzijds voor de verdachte niet haalbaar is om deze behandeling in enig ander kader dan dat van de TBS met dwangverpleging te ondergaan. De rechtbank heeft kennis genomen van de opnieuw ontstane ‘passanten-problematiek’ (vgl. ECLI:NL:RBGEL:2021:7209), maar ziet daarin, reeds gelet op de duur van de op te leggen gevangenisstraf, geen reden om af te zien van oplegging van de TBS-maatregel. De raadsman heeft voorwaardelijk verzocht om het horen van de psychiater en psycholoog als deskundige, in het geval dat de rechtbank, voorbijgaand aan het pleidooi, zou overwegen om de TBS-maatregel op te leggen. Zoals hiervoor is gemotiveerd acht de rechtbank zich op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting voldoende voorgelicht. Er is dan ook geen noodzaak voor nader onderzoek, zodat het voorwaardelijk verzoek wordt afgewezen. Ongemaximeerde tbs De rechtbank overweegt dat de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd voor misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. De maatregel kan daarom, gelet op het bepaalde in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, langer duren dan vier jaar. 6.3.4. Strafmodaliteit en strafmaat Naast het opleggen van de TBS-maatregel met dwangverpleging kan naar het oordeel van de rechtbank, ondanks dat de rechtbank de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan de verdachte toerekent, gelet op de ernst van de feiten en uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij, niet worden volstaan met een andere straf dan een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarbij is, naast het hiervoor overwogene, de zeer grote hoeveelheid van bewezenverklaarde feiten van belang. Omdat de rechtbank tot een geringere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, zal enigszins van de eis worden afgeweken. Alles afwegende acht de rechtbank, naast de TBS-maatregel met dwangverpleging, een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren – passend en geboden. De tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht zal daarop in mindering worden gebracht. De rechtbank heeft zich rekenschap gegeven van de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen op 1 juli 2021 en de daarin vervatte, voor de veroordeelde minder gunstige, regeling omtrent voorwaardelijke invrijheidstelling. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding voor een andere strafoplegging, enerzijds omdat ook vóór de inwerkingtreding geen onverkort recht bestond op voorwaardelijke invrijheidstelling, anderzijds omdat de wetgever heeft gewild dat de nieuwe regeling op veroordelingen vanaf 1 juli 2021 van toepassing zou zijn en zulks naar het oordeel van de rechtbank niet strijdig is met het legaliteitsbeginsel. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. 7De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregel [naam 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 4.871,72, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 2.346,71 aan materiële schade (€ 100,00 gestolen horloge, € 960,00 gestolen telefoon, € 1.100,00 gestolen geld en € 186,72 aan telefoonkosten), € 2.500,00 aan immateriële schade en € 25,00 aan proceskosten. [aangever 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 4.127,62, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 2.627,62 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade. [naam 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 3.954,00 en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 2.954,32 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade. [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 6.295,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 295,00 aan materiële schade en € 6.000,00 aan immateriële schade. [aangever 6] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 5.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 1.200,00 aan materiële schade en € 4.000,00 aan immateriële schade. 7.1 De standpunten van de officieren van justitie [naam 5] De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot € 4.463,12, hoofdelijk met de medeverdachte, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een vergoeding van € 600,00 voor de telefoon passend is, gelet op de afschrijving. Daarnaast is een vergoeding van € 163,12 passend voor de telefoonkosten, omdat de abonnementskosten van het gevorderde bedrag moeten worden afgetrokken. De rest van de vordering is voldoende onderbouwd en redelijk. [aangever 5] De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 4.007,62, hoofdelijk met de medeverdachte, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de schadepost gestolen geld beperkt moet worden tot € 1.752,00, omdat het overige geld blijkens het dossier niet gestolen is. De rest van de vordering is voldoende onderbouwd en redelijk. [naam 2] De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 3.874,32, hoofdelijk met de medeverdachte, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de schadepost afgegeven geldbedragen beperkt moet worden tot € 2.700,00, omdat het overige geld blijkens het dossier geen directe link heeft met de dreiging met geweld. De rest van de vordering is voldoende onderbouwd en redelijk. [slachtoffer] De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 4.050,00, hoofdelijk met de medeverdachte, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen rechtstreeks verband is tussen het ten laste gelegde feit en de gestolen riem, pet en het geldbedrag. De officier van justitie heeft gevorderd de immateriële schade te matigen tot € 4.000,00. [aangever 6] De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 5.200,00, hoofdelijk met de medeverdachte, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft gevorderd de immateriële schade te matigen tot € 4.000,00. De rest van de vordering is voldoende onderbouwd en redelijk. 7.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, in verband met de bepleite vrijspraken. 7.3 Het oordeel van de rechtbank [naam 5] Materiële schade: Horloge: Uit de bewezenverklaring van de feiten van dagvaarding 1 onder 1, 2 en 3 volgt dat de verdachte en zijn mededader het horloge van de benadeelde partij hebben verkregen als gevolg van het bewezenverklaarde feit. De dagwaarde van het horloge komt daarom voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van die waarde heeft de benadeelde partij onbetwist gesteld dat het om een replica Hublot horloge ging en dat deze in nieuwstaat op markplaats voor zo’n € 150,00 worden aangeboden. Nu de rechtbank over de kwaliteit en staat van het weggenomen horloge echter niets bekend is, zal de rechtbank de schade lager schatten, te weten op een bedrag van € 50,00. Voor het overige zal dit deel van de vordering worden afgewezen. Geld: Uit de bewezenverklaring volgt dat de verdachte en zijn mededader € 995,00 en € 105,00 van de benadeelde partij hebben verkregen als gevolg van de bewezenverklaarde feiten. Deze gevorderde bedragen zullen daarom in het geheel worden toegewezen. Telefoon: Uit de bewezenverklaring volgt dat de verdachte en zijn mededader een Samsung telefoon van de benadeelde partij hebben verkregen als gevolg van de bewezenverklaarde feiten. De dagwaarde van de telefoon komt daarom voor vergoeding in aanmerking. Uit een door de benadeelde partij overlegde factuur blijkt dat deze in september 2019 is aangekocht en toen een verkoopprijs had van € 999,00. De rechtbank zal de schade, nu haar over de staat van de telefoon op het moment van verlies niets bekend is en rekening houdend met afschrijving, schatten op een lager bedrag dan gevorderd, namelijk op € 500,00. Voor het overige zal dit onderdeel van de vordering worden afgewezen. Telefoonkosten: Uit de bewezenverklaring volgt dat de verdachte en zijn mededader de telefoon van de benadeelde partij hebben verkregen. De benadeelde partij heeft, onder overlegging van een belspecificatie, gesteld dat na het moment van verlies van de telefoon belkosten zijn gemaakt. Dit is door de verdediging niet betwist. Uit de belspecificatie blijkt dat voor€ 163,12 naar servicenummers is gebeld na het moment dat de benadeelde partij de telefoon had verloren. Dit bedrag zal dan ook worden toegewezen. Het overige van dit deel van de vordering bestaat uit kosten die niet aan de verdachte zijn toe te rekenen en zal daarom worden afgewezen. Immateriële schade: De benadeelde partij heeft gesteld dat hij als gevolg van het bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden. Hij heeft ter onderbouwing een behandelverslag van Ooms Psychologen overgelegd. Hoewel van dat verslag een pagina mist, blijkt daaruit dat de benadeelde als gevolg van de bewezenverklaarde feiten last had van spanningsklachten, slaapproblemen, gevoelens van angst, frustratie, woede boosheid, verdriet en machteloosheid. Tevens was hij verhoogd emotioneel en prikkelbaar, had hij gewichtsverlies door stress en had hij innerlijke onrust. Daartoe is een behandeling van maximaal 12 sessies gepland. Ten slotte heeft de benadeelde partij voor de hoogte van de schadevergoeding aansluiting gezocht bij de Letsellijst van het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Op basis van het behandelverslag van de psycholoog, waarvan de inhoud door de verdediging niet is weersproken, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat sprake is van psychisch letsel als gevolg van de bij dagvaarding 1 onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten, zodat een vergoeding hiervoor zal worden toegekend. De hoogte van deze vergoeding zal, rekening houdend met hetgeen door het Schadefonds Geweldsmisdrijven wordt geïndiceerd, naar billijkheid worden vastgesteld op € 2.500,-, zoals door de benadeelde partij is gevorderd. Proceskosten: De benadeelde partij heeft een bedrag van € 25,00 gevorderd als forfaitaire vergoeding voor telefoonkosten in het kader van de vorderingsprocedure in het strafproces. Hoewel dergelijke kosten in beginsel als proceskosten kunnen gelden, is niet gesteld of gebleken dat de benadeelde partij in dit verband kosten heeft gemaakt. De rechtbank zal dit onderdeel van de vordering daarom afwijzen. Conclusie: De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – een bedrag van € 1.813,12 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade, derhalve in totaal € 4.313,12 toewijzen. Omdat de verdachte de bewezen verklaarde feiten samen met een ander heeft gepleegd, zal hij hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 25 oktober 2020, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan. Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Schadevergoedingsmaatregel: De verdachte zal voor de bij dagvaarding 1 onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan hem is toegebracht. De rechtbank zal daarom aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 4.313,12 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 25 oktober 2020 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald. Als dit bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald kan gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 53 dagen. [aangever 5] Materiële schade De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bij dagvaarding 1 onder 5, 6 en 7 bewezen verklaarde feiten, ter grootte van het gevorderde bedrag, te weten € 2.627,62. Immateriële schade Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bij dagvaarding 1 onder 5, 6 en 7 bewezen verklaarde feiten. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.500,00 . Conclusie De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 4.127,62. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 3 juni 2019, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan. Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Schadevergoedingsmaatregel De verdachte zal voor de bij dagvaarding 1 onder 5, 6 en 7 bewezen verklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 4.127,62, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 juni 2019 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 5] . [naam 2] Nu de verdachte niet zal worden veroordeeld voor het hem bij dagvaarding 1, onder feit 8 ten laste gelegde, zal benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. [slachtoffer] Materiële schade De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post spijkerbroek, is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding 2 onder 1 bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag, te weten € 50,00. De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de posten gestolen pet, gestolen riem en gestolen geld, de vordering afwijzen, omdat deze schade niet het rechtstreekse gevolg is van het ten laste gelegde feit. Immateriële schade Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bij dagvaarding 2 onder 1 bewezen verklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 2.500,00. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige afwijzen. Conclusie De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 2.550,00, bestaande uit € 50,00 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 17 mei 2019, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan. Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Schadevergoedingsmaatregel De verdachte zal voor het bij dagvaarding 2 onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.550,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 mei 2019 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] . [aangever 6] Materiële schade De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post gouden ring, is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding 2 onder 3 bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag, te weten € 200,00. De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post iPhone XR, is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding 2 onder 3 bewezen verklaarde feit. De rechtbank zal de vergoeding voor de iPhone XR matigen tot € 500,00, vanwege de afschrijving. Immateriële schade Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bij dagvaarding 2 onder 3 bewezen verklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.000,00. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige afwijzen. Conclusie De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.700,00, bestaande uit € 700,00 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 9 september 2019, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan. Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Schadevergoedingsmaatregel De verdachte zal voor het bij dagvaarding 2 onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.700,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 september 2019 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 6] . 8De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 47, 55, 57, 138ab, 141, 282, 284, 311, 312, 317, 321, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden. 9De beslissing De rechtbank: verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding 1 onder 8 en 9, de bij dagvaarding 2 onder 2 en de bij dagvaarding 3 onder 2, 3 en 7 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de overige ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt: Dagvaarding 1: ten aanzien van feit 1, 2 en 3: de eendaadse samenloop van: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven/beroofd houden; en diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld/bedreiging met geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om het bezit van het gestolene te verzekeren; en afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; ten aanzien van feit 4: verduistering; ten aanzien van feit 5: diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden; en ten aanzien van feit 6: computervredebreuk; en ten aanzien van feit 7: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels; ten aanzien van feit 10: diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden; Dagvaarding 2: ten aanzien van feit 1: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft; ten aanzien van feit 3: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; Dagvaarding 3: ten aanzien van feit 1: oplichting, meermalen gepleegd; ten aanzien van feit 4: een ander door bedreiging met geweld en bedreiging met een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen, meermalen gepleegd; ten aanzien van feit 5: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels; ten aanzien van feit 6: medeplegen van oplichting; ten aanzien van feit 8: witwassen verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 5 (VIJF) JAREN; bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd; de vorderingen van de benadeelde partijen; ten aanzien van [naam 5] : wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam 5] hoofdelijk toe tot een bedrag van € 4.313,12 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 25 oktober 2020 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [naam 5] en wijst de vordering van [naam 5] voor het overige af; bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen; ten aanzien van [aangever 5] : wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om te betalen een bedrag van € 4.127,62, aan: [aangever 5] , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 3 juni 2019 tot de dag waarop deze vordering is betaald; ten aanzien van [slachtoffer] : wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om te betalen een bedrag van € 2.550,00, aan: [slachtoffer] , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 mei 2019 tot de dag waarop deze vordering is betaald en wijst de vordering van [slachtoffer] voor het overige af;; ten aanzien van [aangever 6] : wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte om te betalen een bedrag van € 1.700,00, aan: [aangever 6] , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 9 september 2019 tot de dag waarop deze vordering is betaald en wijst de vordering van [aangever 6] voor het overige af; ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [naam 5] , [aangever 5] , [slachtoffer] en [aangever 6]: veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; ten aanzien van [naam 2] : bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding; bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen; de schadevergoedingsmaatregel; ten aanzien van [naam 5] : legt aan de verdachte op de hoofdelijke verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 4.313,12, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2020, tot aan de dag dat deze bedragen zijn betaald, ten behoeve van [naam 5] ; bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 53 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op; ten aanzien van [aangever 5] : legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 4.127,62, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2019, tot aan de dag dat deze bedragen zijn betaald, ten behoeve van [aangever 5] ; bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 51 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op; ten aanzien van [slachtoffer] : legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.550,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2019, tot aan de dag dat deze bedragen zijn betaald, ten behoeve van [slachtoffer] ; bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 35 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op; ten aanzien van [aangever 6] : legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.700,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 september 2019, tot aan de dag dat deze bedragen zijn betaald, ten behoeve van [aangever 6] ; bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 27 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op; ten aanzien van allen: bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Dit vonnis is gewezen door mr. D. Gruijters, voorzitter, mr. P.G. Salvadori, rechter, mr. H.H.J. Zevenhuijzen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Otter, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 februari 2022. Parketnummer 09-2702894-20: de feiten 1, 2, 3, 5, 7 en 10; parketnummer 09-072081-20: de feiten 1, 3, 5, 6 en 8; parketnummer 09-134938-20: de feiten 1 en 3. Wanneer wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2020321329 / 2020345167 / 2020308200 / 2019150569 / 2019063250, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag - Centrum, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 499). Wanneer wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2019133287 & PL1500-2019256319, van de politie eenheid Den Haag, districtsrecherche West, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 255). Dit proces-verbaal is afkomstig uit het dossier van dagvaarding 1, met het nummer PL1500-2020321329 / 2020345167 / 2020308200 / 2019150569 / 2019063250, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag - Centrum, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 499). Wanneer wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2019191241, van de politie eenheid Den Haag, district Zoetermeer – Leidschendam / Voorburg, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 221).