vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/615493 / HA ZA 21-660 Vonnis van 2 november 2022 in de zaak van [curator] , in haar hoedanigheid van curator van [betrokkene] , te [plaats] , eiseres, advocaat mr. K. Renssen te Den Haag, TEGEN DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie), te Den Haag, gedaagde, advocaat: mr. G.C. Nieuwland te Den Haag Partijen worden hierna respectievelijk ‘de curator’, ‘ [betrokkene] ’ en ‘de Staat’ genoemd. 1De procedure 1.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: de dagvaarding van 19 juli 2021, met producties 1 tot en met 20; de conclusie van antwoord; de op 18 augustus 2022 door de curator overgelegde machtiging van de kantonrechter met betrekking tot het voeren van onderhavige procedure. 1.2. Op 9 augustus 2022 heeft een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. De griffier heeft aantekening gehouden van hetgeen daar door partijen is gezegd. 1.3. Ten slotte is de datum voor dit vonnis bepaald op heden. 2De feiten 2.1. [betrokkene] is op 6 september 2015 aangehouden op verdenking van (poging tot) moord, doodslag en brandstichting. De verdenking van de eerste twee feiten vloeide voort uit de verdenking van brandstichting in de woning van zijn moeder. Op 1 september 2016 heeft de rechtbank Den Haag [betrokkene] veroordeeld wegens opzettelijke brandstichting terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen almede levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. Aan [betrokkene] is een gevangenisstraf opgelegd van 360 dagen en een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege. 2.2. [betrokkene] is tegen deze veroordeling in hoger beroep gegaan. Bij arrest van 23 april 2018 is [betrokkene] door het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof) vrijgesproken. De reden voor deze beslissing was het feit dat de moeder van [betrokkene] – die door het hof is aangemerkt als de sole and decisive getuige op wier verklaring de veroordeling in eerste aanleg in belangrijke mate steunde – na de veroordeling in eerste aanleg uitdrukkelijk was teruggekomen van de door haar bij de politie afgelegde verklaring. Daarnaast heeft het hof in aanmerking genomen dat [betrokkene] steeds heeft ontkend de brand te hebben aangestoken en had verklaard dat sprake was van een tegen hem gericht opzetje van zijn familie. Het hof komt tot de volgende slotsom: “Bij die stand van zaken, ontleent het hof aan het overige materiaal – dat slechts als indirect bewijs kan worden aangemerkt – onvoldoende overtuiging om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde te komen, zodat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.” 2.3. [betrokkene] heeft bij verzoekschrift van 16 mei 2018 bij het hof gevraagd om een vergoeding voor de door hem in detentie doorgebrachte tijd (artikel 89 Sv (oud)) en een vergoeding van de kosten van het indienen van zijn verzoek (artikel 591a Sv (oud)). Bij beschikkingen van 23 januari 2020 heeft het hof beide verzoeken afgewezen. Over het verzoek van [betrokkene] op grond van artikel 89 Sv (oud) overwoog het hof voor zover hier relevant: “De strafzaak tegen de verzoeker is geëindigd met een beslissing, die hem op grond van artikel 89, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering in beginsel recht geeft op toekenning van een vergoeding voor de schade, die hij heeft geleden als gevolg van de door hem ondergane verzekering en voorlopige hechtenis. (...) Weliswaar is de verzoeker van het aan hem tenlastegelegde vrijgesproken, doch de verdenking tegen hem is tot aan de behandeling van de zaak in hoger beroep blijven bestaan. (…) Voorts is mede van belang dat de verzoeker geen medewerking heeft verleend aan het onderzoek dat is verricht ten tijde van zijn verblijf in het Pieter Baan Centrum, bij welk onderzoek in het algemeen ook het feitencomplex wordt betrokken.” In verband met deze beslissing heeft het hof geconcludeerd dat ook geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toewijzen van het verzoek op grond van artikel 591a Sv (oud). Tegen deze beslissingen van het hof staat geen rechtsmiddel open. 2.4. [betrokkene] heeft een verzoekschriftformulier ingediend bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), omdat hij zich niet kon verenigen met de beslissingen van het hof op zijn verzoeken tot schadevergoeding. De griffie van het EHRM heeft dit formulier niet in behandeling genomen, omdat het verzoekschriftformulier niet op de juiste plaats een originele handtekening van de curator bevatte. Het formulier is niet opnieuw ingediend. [betrokkene] heeft er vervolgens voor gekozen de Staat via de civielrechtelijke weg aansprakelijk te stellen. 3Het geschil 3.1. De curator vordert een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [betrokkene] . Zij vordert voorts dat de Staat wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 123.370,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten. 3.2. De curator legt aan deze vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld. De Staat heeft in de eerste plaats onrechtmatig gehandeld door [betrokkene] te detineren, terwijl (achteraf) is gebleken van het ongefundeerd zijn van de verdenking en van [betrokkene] ’s onschuld. Volgens de curator is voorts sprake van onrechtmatige rechtspraak, doordat het hof het op grond van artikel 89 (oud) Sv ingediende verzoek tot vergoeding van de schade die [betrokkene] heeft geleden door zijn detentie, heeft afgewezen op gronden die die afwijzing niet kunnen dragen en met een motivering die in strijd komt met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). 3.3. De Staat concludeert primair tot afwijzing van het gevorderde en subsidiair tot beperking van de toe te wijzen schadevergoeding tot maximaal € 75.890,-. 4De beoordeling Gebleken onschuld 4.1. De rechtbank zal eerst de vraag beantwoorden of is gebleken van de onschuld van [betrokkene] . Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, waaronder het arrest HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956 (hierna het Begaclaim-arrest), blijkt dat er twee gronden zijn die de Staat op de voet van onrechtmatige overheidsdaad verplichten tot het vergoeden van schade in verband met strafrechtelijk optreden van politie en justitie. De curator beroept zich alleen op de tweede grond. Die grond houdt in dat de Staat aansprakelijk is als uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit de stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak blijkt van de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie berustte. Deze grond wordt wel aangeduid als het ‘gebleken onschuld-criterium’. 4.2. Bij de beantwoording van de vraag of de verdenking achteraf gezien onterecht heeft bestaan, hanteert de civiele rechter het criterium dat uit de uitspraak van de strafrechter in de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak moet blijken van de onschuld van de verdachte. De enkele omstandigheid dat de verdachte in de strafzaak is vrijgesproken, is daartoe niet voldoende. Daarmee staat doorgaans alleen maar vast dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de gewezen verdachte het feit wél heeft begaan, maar niet – zoals voor aansprakelijkheid op basis van onrechtmatige overheidsdaad moet komen vast te staan – dat hij het feit niet heeft begaan. De gewezen verdachte zal in ieder geval concreet moeten stellen en, zo nodig, bewijzen waarom uit de uitspraak van de strafrechter of uit het strafdossier van zijn onschuld – en daarmee de onrechtmatigheid van het handelen van de Staat – blijkt. 4.3. De Hoge Raad heeft in de prejudiciële beslissing van 25 september 2019 (ECLI:NL:HR:2020:1526) geoordeeld dat toepassing van het ‘gebleken onschuld-criterium’ niet in strijd komt met artikel 6 lid 2 EVRM. Wat betreft de stelplicht en de bewijslast van de gewezen verdacht geldt daarbij volgens de Hoge Raad het volgende. Artikel 6 lid 2 EVRM staat op zich niet er aan in de weg dat de stelplicht en de bewijslast op de gewezen verdachte rust. Van de gewezen verdachte die zich beroept op het gebleken onschuld-criterium, mag door de rechter alleen worden verlangd
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.