RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 21/3150 PW uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2022 in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats], eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, verweerder gemachtigde: mr E.H. Buizert. Procesverloop Bij besluit van 12 augustus 2020 heeft verweerder eiser bijzondere bijstand toegekend ten behoeve van de kosten van rechtsbijstand. Op 1 september 2020 heeft eiser verweerder verzocht de verschuldigdheid tot en de hoogte van te betalen dwangsommen wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor bijzondere bijstand vast te stellen. Bij besluit van 5 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder onder meer vastgesteld dat hij jegens eiser geen dwangsom verschuldigd is. Op 10 december 2020 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Op 20 april 2021 heeft eiser beroep ingesteld tegen het nalaten een besluit te nemen. Bij besluit van 7 mei 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Ingevolge artikel 6:20, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) richt het beroep zich mede tot het besluit van 7 mei
- De rechtbank heeft het beroep op 5 oktober 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder. Overwegingen
- De rechtbank stelt voorop dat zij gelet op de dossierstukken een kwalificatie van de betreffende stukken heeft moeten toepassen hetgeen heeft geleid tot het boven opgestelde procesverloop. Partijen hebben desgevraagd bevestigd dat de genoemde gedingstukken conform het procesverloop gekwalificeerd kunnen worden.
- Bij de behandeling van het procesverloop is door eiser wel opgemerkt dat hij het primaire besluit niet danwel niet daags na de op de brief aangegeven verzenddatum heeft ontvangen. Eiser heeft tevens aangegeven dat hij het bericht van 20 december 2020 waarin hem de gelegenheid is gegeven om zijn zienswijze te geven op de stelling van verweerder dat hij, gelet op het besluit van 5 oktober 2020 en zijn bezwaar van 10 december 2020, de wettelijke bezwaartermijn heeft overschreden, evenmin heeft ontvangen, althans dat deze email hem niet bekend is.
- Verweerder heeft hierop gereageerd in die zin dat bij gebreke van een deugdelijke verzendadministratie verweerder niet conform de jurisprudentiële eisen hieromtrent aannemelijk kan maken dat het primaire besluit aan eiser is verzonden op de door verweerder gestelde datum, zodat wat er verder zij, verweerder het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, zodat het beroep gegrond moet worden verklaard.
- De rechtbank zal gelet op het voorgaande het beroep gegrond verklaren. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.G. Meeder, rechter, in aanwezigheid van E. Th. Rietbroek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 oktober
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.