RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummers: NL20.4161 en NL20.4162 V-nummers: [nummer 1] en [nummer 2] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [naam 1] , eiseres [naam 2] , eiser mede namens hun minderjarige kinderen [naam 3] en [naam 4] , gezamenlijk te noemen eisers (gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Op 15 februari 2020 hebben eisers beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvragen. Op 9 oktober 2020 is alsnog op de asielaanvragen van eisers beslist. Bij brief van 16 oktober 2020 heeft de gemachtigde van eisers meegedeeld dat de beroepen worden gehandhaafd. De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Overwegingen
- Met de inwilliging van de aanvragen hebben eisers bereikt wat zij beoogden en hoeven de beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet meer te worden beoordeeld. De beroepen zijn in zoverre niet-ontvankelijk.
- Bij brief van 5 maart 2020 heeft verweerder eisers meegedeeld hen een dwangsom verschuldigd te zijn. Het bedrag zal nog nader worden vastgesteld. Omdat eisers gehuwd zijn en gelijktijdig zijn ingereisd is er sprake van samenhang. Daarom wordt er in totaal één dwangsom verbeurd, aldus verweerder.
- Bij brief van 16 oktober 2020 hebben eisers zich op het standpunt gesteld dat er nog sprake is van procesbelang. De beroepen zijn terecht ingediend. Verzocht wordt om het bedrag van de bestuurlijke dwangsom vast te stellen op € 1.442,-. Tevens wordt gevraagd om verweerder te veroordelen in de proceskosten.
- Eisers hebben op 24 juli 2019 een asielaanvraag ingediend. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 bedraagt de beslistermijn zes maanden. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden in het vierde en het vijfde lid om deze termijn te verlengen. Dit betekent dat verweerder in beginsel op 24 januari 2020 een beslissing had moeten nemen. Na het verstrijken van de beslistermijn heeft eiser verweerder op 27 januari 2020 rechtsgeldig in gebreke gesteld, zoals bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Verweerder heeft de ingebrekestelling op 28 januari 2020 ontvangen. Hierna zijn twee weken verstreken voordat eisers beroep hebben ingesteld. Dat betekent dat de dwangsomtermijn is gaan lopen op 11 februari
- Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom niet bij besluit vastgesteld. Op grond van artikel 8:55c van de Awb doet de rechtbank dit alsnog. In dit geval is de bestuurlijke dwangsom verbeurd voor het maximale aantal dagen. Dit resulteert in een bedrag van € 1.442,-.
- De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juli 2020, dat aanvragen inhoudelijk zodanig met elkaar kunnen samenhangen, dat een redelijke toepassing van de artikelen 4:17, eerste lid van de Awb met zich brengt dat het bestuursorgaan slechts één dwangsom heeft verbeurd of kan verbeuren. Verweerder heeft terecht betoogd dat hij bij aanvragen van een echtpaar zo'n inhoudelijke samenhang tussen de aanvragen als uitgangspunt kan nemen en één dwangsom verbeurt.
- Uit het dossier blijkt dat verweerder op 9 maart 2021 reeds de bestuurlijke dwangsom ten bedrage van € 1.442 aan de gemachtigde van eisers heeft betaald. Eisers hebben dan ook geen procesbelang meer op dit punt.
- Overeenkomstig het verzoek van eisers veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 379,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 0,5). Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen niet-ontvankelijk; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 379,50 (driehonderdnegenenzeventig euro en 50 cent). Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. ECLI:NL:RVS:2020:1624