← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2022:11454

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: AWB 21/1248 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2021 in de zaak tussen [eiser] , geboren op [1963] , van Iraanse nationaliteit, eiser V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. C.C. Westerman-Smit), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. V. Ilic). Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld wegens het feitelijk beëindigen van de opvang als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Wet COa). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober

  1. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
  2. Eiser heeft een verzoek om vrijstelling van het betalen van griffierecht ingediend. De rechtbank ziet, mede op basis van de door eiser verstrekte gegevens, aanleiding om dit verzoek te honoreren.
  3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder zijn veiligheid in de opvang onvoldoende heeft gewaarborgd. Volgens eiser had verweerder naar aanleiding van de bedreigingen via Whatsapp aan eiser in januari 2021 nader onderzoek moeten doen en maatregelen moeten treffen. In ieder geval vanaf het moment dat eiser in februari 2021 een vertaling van de Whatsapp-berichten aan verweerder heeft overhandigd. Door na te laten hierop adequaat onderzoek te doen en maatregelen te treffen, heeft eiser zich genoodzaakt gevoeld de opvang op het AZC te verlaten. Het feitelijk nalaten te handelen van de zijde van verweerder heeft beëindiging van de opvang tot gevolg gehad, aldus eiser.
  4. Volgens verweerder is geen sprake van feitelijk handelen of nalaten in de zin van artikel 5, tweede lid, van de Wet COa.
  5. Op grond van artikel 5, tweede lid, van de Wet COa, voor zover relevant, worden handelingen van het COA ten aanzien van een vreemdeling als zodanig, die worden verricht in het kader van de beëindiging van verstrekkingen bij of krachtens deze wet, voor de toepassing van deze wet met een beschikking gelijkgesteld.
  6. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of verweerder ten aanzien van eiser heeft gehandeld of heeft nagelaten te handelen gericht op de beëindiging van de opvang.
  7. De rechtbank stelt vast dat verweerder ter zitting onweersproken heeft verklaard dat voor eiser een slaapplaats op het AZC is vrijgehouden, ook nadat eiser vanaf 27 oktober 2020 uit eigen beweging is vertrokken. De rechtbank overweegt verder dat verweerder in de e-mail van 2 februari 2021 uiteen heeft gezet wat naar aanleiding van de signalen van eiser is gedaan. Verweerder heeft op advies van Bureau Veiligheid van het COa een uitgebreid gesprek gevoerd met de wijkagent en andere agenten. Voorts heeft verweerder een medebewoner van eiser overgeplaatst naar een andere locatie en heeft verweerder eiser tot tweemaal toe overplaatsing naar een andere kamer aangeboden. Na weigering van eiser heeft verweerder een noodkamer voor eiser vrijgehouden. Naar aanleiding van de melding van de Whatsapp-berichten, die door eiser als bedreigend zijn ervaren, heeft verweerder eiser in de e-mail van 23 februari 2021 nogmaals opvang in een noodkamer aangeboden.
  8. De rechtbank oordeelt, gelet op het voorgaande, dat van feitelijk handelen of nalaten met beëindiging van de opvang tot gevolg geen sprake is. Integendeel, uit het voorgaande blijkt dat verweerder eiser voortdurend opvang heeft aangeboden, maar eiser zelf heeft besloten de opvang te verlaten. Ook blijkt uit het voorgaande, dat verweerder op de signalen van eiser heeft gehandeld en maatregelen heeft getroffen. Dat deze handelingen en maatregelen in de ogen van eiser ontoereikend zijn geweest, is onvoldoende voor het oordeel dat sprake is van feitelijk handelen of nalaten met beëindiging van de opvang tot gevolg.
  9. Gelet op het voorgaande, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van met een besluit gelijk te stellen handelen of nalaten. Er is dan geen besluit waartegen beroep bij de bestuursrechter open staat. De rechtbank is dan onbevoegd van het beroep kennis te nemen.
  10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart zich onbevoegd. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is uitgesproken op 13 januari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.