RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amersfoort Bestuursrecht zaaknummer: NL22.4006 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. M.O. Wattilete), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. Y. Rikken). Procesverloop Bij besluit van 2 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een overdrachtsbesluit opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart
- Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Eiser is op 22 februari 2022 staande gehouden in Nederland en in bewaring gesteld. Op 25 februari 2022 heeft verweerder een claimverzoek aan de Duitse autoriteiten gestuurd. Op 1 maart 2022 heeft Duitsland het verzoek van Nederland om eiser over te nemen geaccepteerd. Verweerder heeft op 2 maart 2022 een overdrachtsbesluit genomen.
- Eiser stelt dat het overdrachtsbesluit ten onrechte is genomen en alleen maar voor vertraging heeft gezorgd. Op het moment dat eiser werd staande gehouden wilde hij direct terug keren naar Duitsland. Hij had namelijk een treinretour van Duitsland naar Nederland en had ook voldoende middelen om terug te keren naar Duitsland. Het nemen van het overdrachtsbesluit is daarom volgens eiser in strijd met het subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel. Hierdoor is eiser namelijk onnodig lang van zijn vrijheid beroofd.
- De rechtbank overweegt als volgt. Omdat eiser zijn asielverzoek in Nederland heeft ingetrokken geldt het overdrachtsbesluit als een kennisgeving aan eiser dat hij wordt overgedragen aan Duitsland. Niet valt in te zien waarom verweerder niet tot het nemen van dit overdrachtsbesluit mocht overgaan. De stelling dat hij vrijwillig heeft willen terugkeren naar Duitsland staat daaraan niet in de weg. De door eiser aangevoerde omstandigheden leiden de rechtbank ook niet tot het oordeel dat sprake is van een schending met het subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
- Het beroep is ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 05 april 2022 Documentcode: [nummer] Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.