← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2022:11488

RECHTBANK DEN HAAG Strafrecht Zittingsplaats 's-Gravenhage parketnummer : 09-020629-22 beslissing op verzoek schorsing van de voorlopige hechtenis van de raadkamer d.d. 02 november 2022 (artikel 80 Wetboek van Strafvordering) in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] , inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres] , nu gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad. Raadsman mr. H. Raza. Procedure Op 10 februari 2022 heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen. Op 27 oktober 2022 is op griffie van de rechtbank een verzoekschrift ingekomen dat strekt tot schorsing van de voorlopige hechtenis. De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier en heeft de officier van justitie, de verdachte en de raadsman gehoord. Beoordeling De raadsman betoogt dat het stellen van prejudiciële vragen van de rechtbank Noord-Nederland invloed heeft op de lopende zaak van de verdachte. Daardoor dreigt de inhoudelijke behandeling zoveel meer vertraging op te lopen dat de verdachte in afwachting van de behandeling van zijn zaak – het onderzoek [naam] – onevenredig lang in voorlopige hechtenis dreigt te blijven. De rechtbank stelt voorop dat de prejudiciële vragen door de rechtbank Noord-Nederland nog niet zijn gesteld en de aard van deze vragen nog niet bekend is zodat reeds om die reden daaraan niet veel betekenis toekomt. Voorts staat geenszins vast dat de inhoudelijke behandeling in het onderzoek [naam] enige vertraging op zal lopen. Uit het proces-verbaal van de pro forma zitting van 7 oktober 2022 leidt de rechtbank af dat de inhoudelijke behandeling geenszins aanstaande is. Ook tegen die achtergrond heeft de rechtbank toen geen aanleiding gezien de voorlopige hechtenis te schorsen. De raadsman heeft ook niet inzichtelijk gemaakt dat de vragen van de rechtbank Noord-Nederland tot aanhouding of vertraging van de inhoudelijke behandeling nopen. Voorzienbaar is immers dat de Hoge Raad de vragen beantwoord zal hebben vóór de te verwachten aanvang van de inhoudelijke behandeling. Verder is het zo dat het stellen van prejudiciële vragen door een rechtbank de andere gerechten in Nederland niet dwingt tot aanhouding van de inhoudelijke behandeling, ook niet in soortgelijke zaken. Een vergelijking met de gang van zaken bij lopende cassatieprocedures dringt zich hierop; zolang de Hoge Raad nog niet gesproken heeft plegen de rechtbanken de zaken voort te zetten en zeker niet een inhoudelijke behandeling aan te houden. De conclusie is dan ook dat de voorgenomen prejudiciële vragen niet een nieuwe omstandigheid opleveren waardoor nu geoordeeld moet worden dat verdachte onevenredig lang op de inhoudelijke behandeling moet wachten. Ook de overige door de raadsman genoemde persoonlijke omstandigheden zijn niet van dien aard dat er thans aanleiding is de voorlopige hechtenis te schorsen. Daarom wijst de rechtbank het verzoek om schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis af. Beslissing De rechtbank: wijst het verzoek tot schorsing af. Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 02 november 2022 door: mr. Chr.A.J.F.M. Hensen, voorzitter, mr. J. Holleman en mr. M. Peters, rechters, in tegenwoordigheid van J. Kunst, griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.