vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/608508 / HA ZA 21-238 Vonnis van 28 september 2022 (bij vervroeging) in de zaak van [eiser01] , te [woonplaats01] , eiser, advocaat mr. N. Overeem te Den Haag, tegen 1 SPINDLER INSTALLATIETECHNIEK B.V., te Rotterdam, 2. ROOS EN DOORN ELEKTRA B.V. , te Den Haag, gedaagden, advocaat mr. Z.B. Gyömörei te 's-Gravenhage. Partijen zullen hierna “ [eiser01] ” en “Spindler c.s.” in het vrouwelijk enkelvoud genoemd worden. 1 De procedure 1.1. Het procesdossier bestaat uit: de dagvaarding van 19 februari 2021 met producties 1 tot en met 8; de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 10; het tussenvonnis van 13 april 2022 waarbij een mondelinge behandeling is bevolen; de zittingsagenda van 18 augustus 2022; de akte overlegging producties tevens houdende wijziging van eis van 31 augustus 2022 met producties 9 tot en met 20. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 september 2022. In het rechtbankdossier bevinden zich de aantekeningen die de griffier tijdens de zitting heeft gemaakt, met de spreekaantekeningen die [eiser01] tijdens de zitting heeft overgelegd. 1.3. Ten slotte is de datum bepaald waarop dit vonnis wordt gewezen. 2 De feiten 2.1. [naam01] Bouw B.V. heeft op enig moment een opdracht op zich genomen voor de bouw van een appartementencomplex in Rotterdam. [eiser01] en [naam01] Beheer waren destijds bestuurders van [naam01] Bouw. [eiser01] was tevens bestuurder van [naam01] Beheer. 2.2. Spindler was als onderaannemer van [naam01] Bouw verantwoordelijk voor de aanleg van werktuigbouwkundige installaties in het project. Roos en Doorn was als onderaannemer verantwoordelijk voor de aanleg van elektronische installaties in hetzelfde project. 2.3. Vanaf november 2011 zijn de facturen van Spindler en Roos en Doorn onbetaald gebleven. Naar aanleiding van de betalingsachterstand zijn [naam01] Bouw en Spindler c.s. met elkaar in overleg getreden. Partijen zijn uiteindelijk overeengekomen dat [naam01] Bouw nog in totaal een bedrag van € 700.000 aan Spindler c.s. moest betalen. Op 9 april 2013 is [naam01] Bouw failliet verklaard. Op 14 mei 2013 is, met medewerking van Spindler c.s., de schuld van [naam01] Beheer overgedragen aan een derde. De vordering van Spindler c.s. is uiteindelijk onbetaald gebleven. 2.4. Bij brief van 11 juni 2015 heeft (de advocaat van) Spindler c.s. [eiser01] aansprakelijk gesteld omdat [eiser01] als (indirect) bestuurder van [naam01] Beheer en [naam01] Bouw onrechtmatig jegens Spindler c.s. zou hebben gehandeld. Bij brief van 2 juli 2015 heeft [eiser01] aansprakelijkheid van de hand gewezen. 2.5. Spindler c.s. heeft bij de rechtbank Noord-Nederland een procedure aanhangig gemaakt tegen [eiser01] en zes andere gedaagden. Spindler c.s. heeft aanvankelijk gedagvaard tegen een niet bestaande roldatum, en dit gebrek later met een herstelexploot hersteld. [eiser01] heeft dit herstelexploot ook ontvangen. [eiser01] is desondanks niet in de procedure verschenen. De overige gedaagden hebben wel verweer gevoerd. De rechtbank Noord-Nederland heeft bij vonnis van 7 februari 2018 (hierna: het vonnis) onder meer voor recht verklaard dat [eiser01] (als bestuurder van [naam01] Beheer) onrechtmatig jegens Spindler c.s. heeft gehandeld. Daarnaast heeft de rechtbank [eiser01] met vier andere gedaagden hoofdelijk veroordeeld tot het betalen aan Spindler c.s. van een bedrag van € 700.000 te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 2.6. Spindler c.s. heeft vervolgens ten laste van [eiser01] executoriaal derdenbeslag gelegd onder de Goudse, Aegon en Bpf Bouw. De beslagvrije voet is op nihil gesteld, omdat [eiser01] destijds in het buitenland woonachtig was. Als gevolg van de beslagen is er vanaf maart 2018 maandelijks een bedrag van ongeveer € 12.000 aan pensioengelden geïncasseerd. 2.7. Op enig moment na het vonnis heeft [eiser01] een brief aan Spindler c.s. gestuurd met, voor zover relevant, de volgende inhoud: “Mijne heren, Groot was mijn verbazing toen ik het vonnis kreeg toegestuurd van jullie advocaat. Ik wist niet eens dat er een procedure liep. Ik had wel een dagvaarding ontvangen, maar daarin zat een fout in de datum van de oproep. Volgens mijn advocaat was de dagvaarding daarmee ongeldig. Daarna heb ik niets meer vernomen. De dagvaarding staat vol met “wishfull thinking” conclusies, halve onwaarheden en zelfs klinkklare leugens. In het hogerberoep dat ik zal aanspannen, zal ik vrijeenvoudig met bewijzen kunnen aantonen dat ik persoonlijk niet aansprakelijk gesteld kan worden en dat alles wat ten aanzien van mij is aangevoerd niet klopt. Ik neem aan dat [rechtbank: de medegedaagden] ook hogerberoep aantekenen. Voor hen zal het veel moeilijker zijn om het vonnis nog te veranderen, zeker als ik mij er noodgedwongen mee moet gaan bemoeien. Wat ik niet begrijp in jullie aanpak is dat jullie mij nu schofferen door allerlei beslagen te leggen terwijl het overduidelijk is dat ik aan jullie kant sta.” 2.8. [eiser01] heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Daarnaast heeft [eiser01] in een procedure in kort geding, samengevat en voor zover van belang, de schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis en de opheffing van de executoriale beslagen gevorderd (hierna: Kort Geding I). De rechtbank Den Haag heeft de vorderingen van [eiser01] bij vonnis in kort geding van 19 juli 2018 afgewezen. 2.9. In september 2019 is de vordering van Spindler c.s. volledig voldaan, dit mede door een grote betaling van een medegedaagde in eerste aanleg. Spindler c.s. heeft omstreeks 16 september 2019 de ten laste van [eiser01] gelegde derdenbeslagen doen laten opheffen. In totaal is via deze derdenbeslagen een bedrag geïncasseerd van € 192.678,18. 2.10. Op 12 mei 2020 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van 7 februari 2018 met betrekking tot [eiser01] vernietigd en de vorderingen van Spindler c.s. alsnog afgewezen. 2.11. Bij e-mail van 4 juni 2020 heeft (de advocaat van) [eiser01] aan (de advocaat van) Spindler c.s. gevraagd om al hetgeen [eiser01] uit hoofde van het vonnis van 7 februari 2018 heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente, aan [eiser01] terug te betalen. Spindler c.s. heeft dit in eerste instantie geweigerd, omdat zij de mogelijkheid van een cassatieberoep wilde onderzoeken. [eiser01] heeft vervolgens Spindler c.s. in kort geding gedagvaard (hierna: Kort Geding II). Spindler c.s. heeft op 21 juli 2020, zijnde de dag voor de mondelinge behandeling in het kort geding, het onverschuldigd betaalde en de wettelijke rente daarover alsnog aan [eiser01] voldaan. 3 Het geschil 3.1. [eiser01] vordert – samengevat en na wijziging van eis – dat Spindler c.s. bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 40.399,58 aan schadevergoeding vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten. Aan zijn vorderingen legt [eiser01] ten grondslag dat Spindler c.s. uit hoofde van onrechtmatige daad gehouden is om de schade die hij als gevolg van achteraf ten onrechte gelegde beslagen dient te vergoeden. De schade bestaat uit de volgende posten: i. € 5.598,28 koersverlies wegens de verkoop van aandelen op een ongunstig moment ii. € 5.379,53 kosten wegens het omzetten van banktegoeden in Australische dollar naar de Maleisische Ringit iii. € 6.124,13 renteverlies als gevolg van het niet verlengen van depositorekeningen iv. € 6.579,87 gederfde winst wegens het niet kunnen herbeleggen van het geïnvesteerd vermogen v. € 11.454,54 verhuiskosten vi. € 1.963,23 koersverlies bij het betalen van de alimentatie aan zijn ex-vrouw en de rekeningen van zijn advocaat vii. € 3.300 kosten voor rechtsbijstand voor Kort Geding II 3.2. Spindler c.s. voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De rechtbank stelt voorop dat degene die een beslag legt op eigen risico handelt en dat, bijzondere omstandigheden daargelaten, de beslaglegger wiens beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd aansprakelijk is uit onrechtmatige daad jegens degene op wiens recht het beslag inbreuk heeft gemaakt (Hoge Raad 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2841). Een dergelijk geval doet zich hier voor. Het vonnis op grond waarvan executoriaal beslag is gelegd is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwaarden bij arrest van 12 mei 2020 vernietigd, en de vorderingen van Spindler c.s. zijn alsnog volledig afgewezen. Dit betekent dat Spindler c.s. in beginsel gehouden is om de als gevolg van het beslag door [eiser01] geleden schade te vergoeden. Onrechtmatigheid en eigen schuld 4.2. Het meest verstrekkende verweer van Spindler c.s. is dat [eiser01] voor aanvang van de procedure die tot het vonnis heeft geleid zich onbereikbaar heeft gehouden, ook na het vonnis geen contact met Spindler c.s. heeft opgenomen, en pas op de mondelinge behandeling van de zaak bij het gerechtshof zijn standpunten uiteen heeft gezet. Het executeren van het vonnis is in deze bijzondere omstandigheden niet onrechtmatig, dan wel is sprake van eigen schuld van [eiser01] , aldus Spindler c.s.. 4.3. De rechtbank volgt dit betoog om de navolgende redenen niet. Het is in de eerste plaats niet gebleken dat [eiser01] zich in de procedurele voorfase voor Spindler c.s. onbereikbaar heeft gehouden. Spindler c.s. beschikten immers over het adres van [eiser01] in Maleisië, en [eiser01] heeft bij brief van 2 juli 2015 ook op aan dit adres gerichte correspondentie gereageerd, zodat Spindler c.s. bekend was met het inhoudelijke standpunt van [eiser01] . Het is weliswaar juist dat [eiser01] op een rechtsgeldige wijze voor de procedure is opgeroepen, en dat hij vervolgens niet is verschenen, maar het is niet gebleken dat [eiser01] opzettelijk de procedure heeft willen frustreren. Daarbij acht de rechtbank het van belang dat de omstandigheid dat [eiser01] aanvankelijk tegen een niet-bestaande roldatum is opgeroepen tot enige verwarring bij hem heeft kunnen leiden. Dat [eiser01] de conclusie heeft getrokken dat geen procedure aanhangig was gemaakt komt weliswaar voor zijn risico, maar het hoger beroep biedt mede een herstelfunctie. Dit betekent dat Spindler c.s. er rekening mee moest houden dat [eiser01] zijn fout in hoger beroep zou herstellen, alsnog inhoudelijk verweer zou voeren, en dat dit tot een afwijzing van de vordering van Spindler c.s. zou kunnen leiden. Nu Spindler c.s. in het arrest heeft berust, gaat de rechtbank er vanuit dat [eiser01] zijn bezwaren tegen het vonnis tijdig naar voren heeft gebracht. Het niet verschijnen van [eiser01] in de procedure bij de rechtbank Noord-Nederland is in deze omstandigheden onvoldoende reden om af te wijken van het beginsel dat wie een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis executeert, voor eigen risico handelt. Er is evenmin sprake van eigen schuld. Uit de stellingen van Spindler c.s. kan namelijk niet worden afgeleid dat, als [eiser01] in eerste aanleg in de procedure zou zijn verschenen, alle vorderingen van Spindler c.s. jegens hem zonder meer zouden zijn afgewezen en de beslagen dus nooit zouden zijn gelegd. 4.4. Het feit dat [eiser01] Spindler c.s. er niet nadrukkelijk op heeft gewezen tot welke problemen de beslagen op pensioenuitkeringen bij hem zouden leiden, en dat om in zijn levensonderhoud te voorzien hij genoodzaakt zou zijn om aandelen te verkopen en spaardeposito’s niet te verlengen, maakt dat niet anders. Spindler c.s. heeft ten laste van [eiser01] beslag onder drie pensioenfondsen gelegd. Dit waren, zoals Spindler c.s. ter zitting heeft toegelicht, alle vermogensbestanddelen die zij van [eiser01] kon achterhalen. Door middel van deze beslagen heeft Spindler c.s. in totaal een bedrag van ongeveer € 12.000 per maand geïncasseerd. Het ligt naar het oordeel van de rechtbank voor de hand dat als een beslagene een dergelijk bedrag aan maandelijkse pensioeninkomsten moet missen, dit bij hem tot betalingsproblemen kan leiden. Dit geldt eens te meer als – overigens conform de destijds geldende wet – geen beslagvrije voet is toegepast. De rechtbank leidt hieruit af dat Spindler c.s. bewust het risico heeft aanvaard dat [eiser01] zonder maandelijkse inkomsten zou komen te zitten. Verder heeft [eiser01] kort na het leggen van de beslagen contact opgenomen met Spindler c.s., aangegeven dat het vonnis op een misverstand berust en een executiegeschil (Kort Geding I) aanhangig gemaakt. [eiser01] heeft in Kort Geding I (dagvaarding van 13 juni 2018, randnr. 28) nadrukkelijk gesteld dat hij geen andere bron van inkomsten had en dat hij door de beslagen in betalingsproblemen dreigde te komen. Deze mededeling is voor Spindler c.s. geen aanleiding geweest om de beslagen gedeeltelijk te laten opheffen. De rechtbank is van oordeel dat in deze omstandigheden Spindler c.s. wist, of althans redelijkerwijs heeft moeten weten, dat de beslagen bij [eiser01] een acuut liquiditeitsprobleem tot gevolg hadden, zodat aan de door Spindler c.s. gestelde tekortkoming in de mededelingsplicht geen betekenis toekomt. Van eigen schuld is dus geen sprake. Het ten gelden maken van belegd vermogen 4.5. Het voorgaande betekent dat Spindler c.s. de schade die [eiser01] als gevolg van het beslag heeft geleden moet vergoeden. De hoogte van de schade wordt vastgesteld door met elkaar te vergelijken de situatie waarin [eiser01] als gevolg van de beslaglegging daadwerkelijk verkeert, en de situatie waarin hij zou hebben verkeerd als het beslag niet was gelegd en gehandhaafd (Hoge Raad 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1823). 4.6. De rechtbank zal de schadeposten (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.