RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 21/3540 uitspraak van de meervoudige kamer van 11 november 2022 in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. F.E. Boonstra), en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder (gemachtigden: O.M. Langemeijer, R.H. De Roy van Zuidewijn en Z. Kahveci). Procesverloop Bij besluit van 1 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een briefadres afgewezen. Bij besluit van 8 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september
- Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ook was [A], vrijwilliger bij Stichting Restschuld Eerlijk Delen (RED), aanwezig. Overwegingen Waar gaat deze zaak over?
- Eiser heeft verzocht om een briefadres bij de Stichting RED. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen, omdat eiser zijn woning heeft verlaten om een andere reden dan een hoge restschuld, namelijk vanwege hoge kosten. Dit valt buiten de reikwijdte van de toestemming die verweerder heeft gegeven om mensen op het briefadres van de stichting te laten inschrijven. Heeft eiser nog procesbelang?
- In beroep heeft verweerder informatie uit de Basisregistratie Personen (Brp) overgelegd waaruit blijkt dat eiser op 16 augustus 2022 op een woonadres in Veghel stond ingeschreven. De rechtbank overweegt dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij gelet hierop nog belang heeft bij een briefadres bij Stichting RED. De enkele niet onderbouwde stelling dat de inschrijving op het woonadres tijdelijk zou zijn is in dit verband onvoldoende. Eiser heeft dus geen belang bij een beoordeling van zijn beroep. Wat is de conclusie van deze uitspraak?
- Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden komt de rechtbank niet toe.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, voorzitter, en mr. M.D. Gunster en mr. F. Arichi, leden, in aanwezigheid van mr. M. de Graaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 november
- griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Als u het niet eens bent met de uitspraak op het beroep, dan kunt u een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. U moet dit hoger beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.