← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2022:12006

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 21/1746 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2022 in de zaak tussen [verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. O.H.G. Daane Bolier), en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder (gemachtigde: D.L. Swart). Procesverloop In de brief van 7 januari 2021 heeft verweerder informatie verstrekt over hoe de openstaande schuld van verzoekster aan het college kan worden afgelost. In het besluit van 15 februari 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster niet-ontvankelijk verklaard. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Voorafgaand aan de zitting is de rechtbank gebleken dat verzoekster het beroep wegens tegemoetkoming door verweerder heeft ingetrokken met het gelijktijdige verzoek verweerder te veroordelen in de gemaakt proceskosten. Verweerder heeft te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen een veroordeling in de proceskosten. Het onderzoek ter zitting in de beroepszaak heeft niet plaatsgevonden nu partijen kort voor de zitting (gemotiveerd) hebben aangegeven niet te zullen verschijnen. Overwegingen

  1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
  2. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster. De rechtbank ziet onder deze omstandigheden aanleiding het verzoek om een proceskostenveroordeling gegrond te achten.
  3. De rechtbank veroordeelt verweerder in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt zij op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.300,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 541,- en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).
  4. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 49,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden. Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.300,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.G. Meeder, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van de Wetering, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 juli
  5. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.