RECHTBANK DEN HAAG ZITTING HOUDENDE IN HET JUSTITIEEL COMPLEX SCHIPHOL TE BADHOEVEDORP Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer : 09/748004-19 Datum uitspraak : 17 november 2022 Verstek De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: Igor Vsevolodovich GIRKIN, geboren op 17 december 1970 te [geboorteplaats], adres (zoals door de Russische autoriteiten opgegeven): [adres]. Onderzoeksnaam: Primo Inhoudsopgave vonnis 1. WOORD VOORAF 5 1.1 Inleiding 5 1.2 Duiding van in het vonnis gebruikte bewijsmiddelen 5 1.3 Vermelding bewijsmiddelen en gebruik voetnoten 6 1.4 Schrijfwijze (plaats)namen en gebruik tijden 7 2. HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING 7 3. DE TENLASTELEGGING 8 4. VOORVRAGEN 9 4.1 Inleiding 9 4.2 Geldigheid van de dagvaarding 9 4.3 Bevoegdheid van de rechtbank Den Haag 11 4.4 Ontvankelijkheid van de officier van justitie 11 4.4.1 Vooraf 11 4.4.2 Verleent het Wetboek van Strafrecht rechtsmacht? 11 4.4.3 Is sprake van volkenrechtelijke beperking van rechtsmacht (immuniteit)? 12 4.4.4 Heeft de officier van justitie het vervolgingsrecht verspeeld? 22 4.4.5 Conclusie ontvankelijkheidsvraag officier van justitie 41 4.5 Redenen voor schorsing van de vervolging 41 5. VOORAFGAANDE ALGEMENE OVERWEGINGEN 42 5.1 Inleiding 42 5.2 Het strafrechtelijk onderzoek in JIT-verband 43 5.3 Bewijsmateriaal verkregen van of via de SBU 44 5.4 Gebruik getuigenverklaringen 45 5.5 Deskundigen en scenario’s 49 5.6 Tapgesprekken en zendmastgegevens 53 5.7 Foto- en videomateriaal 55 6. BEWIJSOVERWEGINGEN 56 6.1 Standpunt van het Openbaar Ministerie 56 6.2 Oordeel van de rechtbank 57 6.2.1 Inleiding 57 6.2.2 Was het een Buk-raket afkomstig uit Pervomaiskyi? 57 6.2.3 Specifieke verweren van de verdediging van Pulatov met betrekking tot de 76 oorzaak 76 6.2.4 Feitelijke gedragingen en de interpretatie daarvan 82 6.2.5 Juridische duiding van de gedragingen van de verdachten 96 6.2.6 Eindconclusie beoordeling van de tenlastelegging 108 7. DE BEWEZENVERKLARING 108 8. DE STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE 108 9. DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE 109 10. DE OPLEGGING VAN DE STRAF 109 10.1 De vordering van het Openbaar Ministerie 109 10.2 Het oordeel van de rechtbank 110 10.2.1 Strafbedreiging 110 10.2.2 De directe gevolgen van de inzet van de Buk-TELAR 110 10.2.3 Opstelling van de verdachten 111 10.2.4 De militaire context en doel van de inzet 112 10.2.5 De weging van individuele omstandigheden 113 10.2.6 Overschrijding redelijke termijn? 114 10.2.7 Openbaarmakingen van resultaten van het opsporingsonderzoek 115 10.2.8 Conclusie 115 11. VORDERING TOT GEVANGENNEMING 115 11.1 Vordering tot bevel gevangenneming 115 11.2 Het oordeel van de rechtbank 116 12. DE VORDERINGEN BENADEELDE PARTIJ 116 12.1 Inleiding 116 12.2 Benadeelde partijen niet-ontvankelijk? 117 12.3 Verstekverlening 118 12.4 Internationale bevoegdheid, toepasselijk recht en ontvankelijkheid artikel 51f Sv 118 12.4.1 Internationale bevoegdheid 119 12.4.2 Het op de vorderingen toepasselijk recht 120 12.4.3 Artikel 51f Sv 122 12.5 Inhoudelijke beoordeling van de vorderingen 124 12.5.1 Recht op vergoeding van schade naar Oekraïens recht 124 12.5.2 Schade 125 12.5.3 Bespreking enkele individuele vorderingen 135 12.5.4 Betalingen van derden 137 12.5.5 Conclusie 139 13. DE INBESLAGGENOMEN VOORWERPEN 140 13.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie 140 13.2 Het oordeel van de rechtbank 140 14. DE TOEPASSELIJKE WETSARTIKELEN 141 15. DE BESLISSING 142 Bijlage 1: Tekst tenlastelegging 146 Bijlage 2: Overzicht andere gespreksdeelnemers in voor het bewijs gebruikte tapgesprekken 150 Bijlage 3: Geparafraseerde tapgesprekken en beeldmateriaal, op datum en tijdstip gerangschikt 152 Bijlage 4: Beslissingen op elke individuele vordering tot schadevergoeding 170 Bijlage 5: De inbeslaggenomen voorwerpen 171 1WOORD VOORAF 1.1 Inleiding Op 17 juli 2014 is vlucht MH17 in Oekraïne neergestort, als gevolg waarvan alle 298 inzittenden zijn overleden. In de strafzaak MH17 worden door het Openbaar Ministerie vier verdachten vervolgd voor betrokkenheid bij het neerstorten van dit vliegtuig, te weten I.V. Girkin, S.N. Dubinskiy, O.Y. Pulatov en L.V. Kharchenko. De rechtbank wijst gelijktijdig vonnis in de zaken van deze vier verdachten, die hierna steeds met hun achternaam worden genoemd. Dit vonnis heeft betrekking op verdachte Girkin. De vonnissen in de vier zaken zijn vanwege de onderlinge inhoudelijke samenhang en om de lezer te informeren over het oordeel van de rechtbank in de zaken van alle vier de verdachten zoveel als mogelijk gelijkluidend. Ten aanzien van de in de vonnissen besproken verweren merkt de rechtbank het volgende op. De zaken van de verdachten Girkin, Dubinskiy en Kharchenko zijn, nu de verdachten noch een hen vertegenwoordigend advocaat ter terechtzitting zijn verschenen, op grond van artikel 280 van het Wetboek van Strafvordering (hierna ook: Sv), bij verstek behandeld. Dit betekent dat de behandeling van de zaken buiten hun aanwezigheid heeft plaatsgevonden. Van deze verdachten is dan ook niets bekend over hun standpunt ten aanzien van het tenlastegelegde, anders dan wat zij daarover via de media of anderszins hebben geuit en voor zover dat materiaal in het strafdossier is gevoegd. In die zaken is geen verweer gevoerd. In de zaak van verdachte Pulatov geldt dat hij door zijn raadslieden is vertegenwoordigd en dat die zaak, op grond van artikel 279 Sv, op tegenspraak is behandeld. Door de raadslieden zijn op verschillende onderdelen verweren gevoerd. Hoewel strikt genomen deze verweren dus niet zijn aangevoerd in de zaken van verdachten Girkin, Dubinskiy en Kharchenko zal de rechtbank de verweren wel in alle zaken bespreken. De reden hiervoor is dat de rechtbank een aantal vragen ambtshalve – dus ongeacht of verweer is gevoerd op dat punt – moet beantwoorden. Daar komt bij dat niet ondenkbaar is dat een geslaagd verweer in de zaak van Pulatov ook van invloed kan zijn op de overwegingen en beslissingen in de zaken van de overige verdachten. Ook om die reden is de bespreking van die verweren in alle vier de vonnissen opgenomen. 1.2 Duiding van in het vonnis gebruikte bewijsmiddelen Het procesdossier bevat verschillende soorten potentiële bewijsmiddelen. Zo zijn er processen-verbaal van de terechtzitting, rechterlijke bevindingen en beslissingen, processen-verbaal van Nederlandse opsporingsambtenaren, deskundigenrapporten, verklaringen afgelegd ten overstaan van de Nederlandse rechter-commissaris, bevindingen van en verklaringen afgelegd ten overstaan van buitenlandse (opsporings)functionarissen, foto’s, video- en geluidsopnames, opgenomen en uitgeluisterde telefoongesprekken (hierna: tapgesprekken of (telefoon)taps), (adressen van) internetpagina’s en vertalingen daarvan, rapporten van (internationale) organisaties en (andere) schriftelijke stukken. De rechtbank heeft van elk door haar in dit vonnis gebruikt bewijsmiddel de aard vastgesteld en geconstateerd dat dat op de wettelijk voorgeschreven wijze tot stand is gekomen en/of in het dossier is gevoegd, tenzij nadrukkelijk anders aangegeven. De rechtbank typeert en gebruikt de betreffende bewijsmiddelen op de wijze zoals door de wet voorgeschreven als rechterlijke beslissing, als op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, als deskundigenverslag, als eigen waarneming van hetgeen te zien of te horen is op (tijdens de zitting getoond en afgespeeld) audiovisueel materiaal, als geschrift van een openbaar college of ambtenaar, als geschrift van een medewerker in openbare dienst van een vreemde staat of van een volkenrechtelijke organisatie, dan wel als ander geschrift geldende in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Het dossier bevat geen verklaringen van de verdachten zoals in de wet bedoeld. Geen van de verdachten heeft immers een verklaring afgelegd ten overstaan van een Nederlandse rechter, dan wel tegenover Nederlandse opsporingsambtenaren op een wijze die als een verdachtenverhoor is te typeren. De in het dossier gevoegde uitlatingen van verdachten, bijvoorbeeld in de vorm van een interview, reacties via social media of per telefoon, dan wel in de vorm van door de verdediging van verdachte Pulatov ingebrachte videoboodschappen, worden daarom in het voorkomende geval door de rechtbank als ander geschrift gebruikt. Het dossier bevat ook geen verklaringen van getuigen en deskundigen zoals in de wet bedoeld; er zijn immers geen getuigen en deskundigen tijdens het onderzoek ter terechtzitting gehoord. Verklaringen van getuigen en deskundigen zijn opgenomen in processen-verbaal van de Nederlandse rechter-commissaris en/of van Nederlandse opsporingsambtenaren, alsmede in stukken van buitenlandse (opsporings)functionarissen. Verder gebruikt de rechtbank schriftelijke vastleggingen van deskundigen als bewijsmiddel, die daarmee als deskundigenverslag gelden. 1.3 Vermelding bewijsmiddelen en gebruik voetnoten Ten aanzien van het al dan niet vermelden van bewijsmiddelen in het vonnis merkt de rechtbank het volgende op. Volgens de wet (artikel 359, derde lid, Sv) dient alleen de bewezenverklaring van een aan verdachte tenlastegelegd feit in het vonnis met (de vindplaats van
- de)bewijsmiddelen daarvoor te worden onderbouwd. Ingevolge vaste jurisprudentie geldt dat ook voor het gebruik van bewijsmiddelen bij de bespreking van de bewijsverweren van de verdediging van verdachte Pulatov. Beslissingen van de rechtbank op andere punten, zoals de voorvragen, vragen over de betrouwbaarheid of onrechtmatigheid van bewijsmiddelen of beslagbeslissingen, moeten wel worden gemotiveerd, maar hoeven niet met bewijsmiddelen te worden onderbouwd. In lijn hiermee heeft de rechtbank in dit vonnis ‘alleen’ bewijsmiddelen opgenomen bij haar overwegingen en beslissingen omtrent de tenlastegelegde feitelijke handelingen. Dit is gebeurd in de vorm van voetnoten bij de betreffende overwegingen. Echter, ook op andere plekken in het vonnis heeft de rechtbank voetnoten opgenomen, die soms ook een als bewijsmiddel te typeren vindplaats betreffen. Het zijn echter ook verwijzingen naar openbare bronnen die niet per se als stuk in het dossier hoeven te zijn opgenomen, literatuur of jurisprudentie. Daarnaast bevatten voetnoten soms ook een nadere uitleg van hetgeen de rechtbank in de tekst uiteenzet. Dat de rechtbank op meerdere plekken in het vonnis dus toch voetnoten opneemt zonder strikte juridische verplichting daartoe, is om voor de lezer de begrijpelijkheid van haar vonnis op dat punt te vergroten. Zeker wanneer de lezer geen procespartij is die over het procesdossier beschikt maken deze voetnoten een beter begrip van de overwegingen van de rechtbank mogelijk. Omgekeerd betekent dit echter ook – en dit geldt met name voor de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de voorvragen – dat met regelmaat overwegingen zijn opgenomen die gebaseerd zijn op bewijsmiddelen uit het strafdossier, zonder dat een verwijzing naar het betreffende bewijsmiddel is opgenomen in een voetnoot. De rechtbank heeft overwogen dat het de leesbaarheid van het vonnis niet ten goede komt als al deze punten van een bewijsmiddel of vindplaats in een voetnoot zijn voorzien. De tekst zou dan simpelweg te lang worden en door het veelvuldige gebruik van voetnoten onleesbaar zijn. De vindplaats van het betreffende bewijsmiddel in het dossier is telkens zo kort als mogelijk vermeld in een voetnoot. Voor zover de rechtbank daarin verwijst naar specifieke passages in een processtuk, gebruikt de rechtbank het Primo-nummer waaronder dat stuk (als bijlage daarbij) in het dossier is opgenomen en het paginanummer van het dossier, dan wel bij het ontbreken daarvan het paginanummer van het betreffende processtuk. In geval van een verwijzing die geen specifieke passage betreft, verwijst de rechtbank uitsluitend naar het Primo-nummer. Bij een verwijzing naar een processtuk dat geen Primo-nummer heeft, gebruikt de rechtbank de benaming van het betreffende processtuk. Bij tapgesprekken betreft het de dag- en tijdsaanduiding van het gesprek. Bewijsmiddelen zijn daarmee traceerbaar en voldoende individualiseerbaar. 1.4 Schrijfwijze (plaats)namen en gebruik tijden De rechtbank merkt op dat zij in dit vonnis bij de vermelding van (plaats)namen de Latijnse schrijfwijze zal hanteren die zo dicht mogelijk bij de Oekraïense benaming ligt. Deze keuze vloeit voort uit het feit dat de ramp met vlucht MH17 gebeurde boven Oekraïens grondgebied. Specifiek met betrekking tot de plaatsnamen Pervomaiske en Pervomaiskyi merkt de rechtbank op dat deze in het dossier geregeld door elkaar (lijken
- te)worden gebruikt. Aangezien die plaatsen zeer dicht bijeen liggen, niet alleen wat betreft de uitspraak maar vooral wat betreft de ligging min of meer aaneengesloten direct ten zuiden van Snizhne, en aangezien de tenlastelegging spreekt van een plek nabij Pervomaiskyi, merkt de rechtbank dit door elkaar gebruiken als niet relevant aan, tenzij anders aangegeven. Wat het gebruik van tijden betreft merkt de rechtbank op dat zij daarmee telkens de ter plaatse geldende lokale tijd bedoelt, tenzij nadrukkelijk anders is aangegeven. In die gevallen zal de tijd veelal worden aangeven met de afwijking van de bedoelde tijd ten opzichte van de Coordinated Universal Time (UTC). 2HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Het onderzoek is gehouden op de navolgende terechtzittingen: 9 en 10 maart 2020 (inleidend) en 23 maart 2020 (beslissingen rechtbank); 8, 9, 10, 22, 23 en 26 juni 2020 (regie) en 3 juli 2020 (beslissingen rechtbank); 31 augustus 2020 (regie vorderingen benadeelde partijen en spreekrecht nabestaanden, beslissingen rechtbank); 28 september 2020 (regie); 3, 4, 5, 12 en 13 november 2020 (regie); 25 november 2020 (beslissing in de zaak Pulatov); 1 februari 2021 (regie) en 8 februari 2021 (beslissingen rechtbank); 15 en 16 april 2021 (regie, vordering schouw, regie vorderingen benadeelde partijen, beslissingen rechtbank) en 22 april 2021 (beslissingen rechtbank); 21 mei 2021 (regie: voorbereiding schouw) en 26 mei 2021 (schouw reconstructie MH17); 7, 8, 9, 10, 17 en 24 juni 2021 en 8 juli 2021 (inhoudelijke behandeling); 6, 7, 9, 10, 13, 14, 16, 21, 23 en 24 september 2021 (spreekrecht nabestaanden); 1 november 2021 (regie), 2 november 2021 (beslissingen rechtbank, regie) en 8 november 2021 (spreekrecht nabestaanden); 8 december 2021 (vorderingen benadeelde partijen) en 20, 21 en 22 december 2021 (requisitoir Openbaar Ministerie); 7, 9, 11, 14, 16, 18, 21, 23, 24, 25, 28 en 30 maart 2022 (pleidooi verdediging van verdachte Pulatov); 16, 17 en 18 mei 2022 (repliek Rechtsbijstandsteam MH17, repliek Openbaar Ministerie); 8, 9 en 10 juni 2022 (dupliek verdediging van verdachte Pulatov, laatste woord verdachte Pulatov); 22 september 2022 (hervatting en onmiddellijke schorsing van het onderzoek ter terechtzitting); 17 november 2022 (sluiting onderzoek en uitspraak). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. T. Berger, W. Ferdinandusse, M. Ridderbeks en B. van Roessel (hierna gezamenlijk: het Openbaar Ministerie of de officier van justitie). Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door het Rechtsbijstandsteam MH17 naar voren is gebracht in het kader van de vorderingen van de benadeelde partijen. 3DE TENLASTELEGGING De tekst van de dagvaarding is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht. De verdenking onder feit 1 komt er op neer dat de verdachte, al dan niet samen met (een) ander(en), opzettelijk vlucht MH17 heeft doen verongelukken, waardoor de inzittenden van dat vliegtuig zijn gedood. Die verdenking is in de tenlastelegging onder primair en (meer) subsidiair in verschillende pleegvarianten ten laste gelegd. De verdenking onder feit 2 komt er op neer dat de verdachte, al dan niet samen met (een) ander(en), opzettelijk en al dan niet met voorbedachte raad de inzittenden van vlucht MH17 van het leven heeft beroofd door een Buk-raket op dat vliegtuig af te vuren, waardoor dat vliegtuig is neergestort en de inzittenden zijn overleden. Ook dit feit is in de tenlastelegging onder primair en (meer) subsidiair in verschillende pleegvarianten ten laste gelegd. 4VOORVRAGEN 4.1 Inleiding Zoals de wettelijke volgorde voorschrijft zal de rechtbank eerst ingaan op de beantwoording van de zogenaamde formele vragen van artikel 348 Sv. Dit betreft achtereenvolgens de geldigheid van de dagvaarding, de bevoegdheid van de rechtbank, de ontvankelijkheid van de officier van justitie en de vraag of er redenen zijn tot schorsing van de vervolging. Deze vragen moet de rechtbank ambtshalve, dus altijd, beantwoorden, ook als daarover geen verweer is gevoerd. Omdat een formeel gebrek (in elk geval voor de eerste drie vragen) van invloed zou kunnen zijn in alle zaken, betrekt de rechtbank bij haar beantwoording van deze vragen de verweren die door de verdediging van verdachte Pulatov zijn gevoerd ook in de zaken van de andere drie verdachten. 4.2 Geldigheid van de dagvaarding De dagvaarding bevat op grond van artikel 261, eerste lid, Sv een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Het tweede lid voegt daaraan toe dat de dagvaarding tevens de omstandigheden vermeldt waaronder het feit zou zijn begaan. Het verwijt dat de verdachte wordt gemaakt moet wat betreft feit, tijd en plaats duidelijk en begrijpelijk zijn, niet innerlijk tegenstrijdig en voldoende feitelijk. Het belang van deze bepaling is dat de verdachte op basis van de tenlastelegging weet waartegen hij zich moet verdedigen. Ook voor de rechter moet de tenlastelegging begrijpelijk zijn. Hoewel de geldigheid van de dagvaarding een procedurele vraag betreft die beantwoord moet worden op basis van de tekst (de grondslag) van de tenlastelegging, kan de rechter bij de toetsing van de geldigheid van die tenlastelegging de inhoud van het dossier betrekken. Daarvoor is thans temeer ruimte, nu de rechtbank deze vraag in het vonnis bespreekt en niet ter gelegenheid van een preliminair verweer. De officier van justitie heeft twee feiten – cumulatief – tenlastegelegd. Beide feiten zijn tenlastegelegd in een gelede vorm, namelijk in een primaire, subsidiaire, meer subsidiaire en meest subsidiaire variant. De tenlasteleggingen zijn voor de vier verdachten waarvoor de rechtbank vonnis wijst volkomen identiek. Bij zowel feit 1 als feit 2 is de tekst van het primair en het subsidiair tenlastegelegde feit nagenoeg gelijk, met dien verstande dat in de primair tenlastegelegde variant expliciet is vermeld dat met het primair tenlastegelegde feit een bewezenverklaring van het functioneel (mede)plegen van dat feit is beoogd. Blijkens de toelichting van het Openbaar Ministerie is dat gebeurd om de rechtbank er toe te brengen dat zij zich bij haar oordeel of de tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard allereerst uitlaat over de vraag of daarbij sprake is van functioneel (mede)plegen. De rechtbank merkt op dat functioneel plegen kort gezegd inhoudt dat het feit weliswaar door anderen fysiek is gepleegd, maar dat de functionele pleger daarvoor verantwoordelijkheid draagt en om die reden een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De officier van justitie heeft – terecht – opgemerkt dat het functioneel plegen van een strafbaar feit niet een aparte deelnemingsvorm betreft. Indien van functioneel plegen sprake is, dan valt dat (dus) onder het begrip plegen in de zin van artikel 47, eerste lid, onder 1, van het Wetboek van Strafrecht (hierna ook: Sr). Het behoeft dan ook niet expliciet tenlastegelegd te worden. In navolging hiervan overweegt de rechtbank dat de primair en subsidiair tenlastegelegde feiten – indien bewezen – exact dezelfde kwalificatie zouden opleveren, zowel wat betreft de delictsomschrijving als wat betreft de deelnemingsvorm. Om die reden verschilt deze constructie van die waarbij bijvoorbeeld primair moord en subsidiair doodslag wordt tenlastegelegd, of primair medeplegen en subsidiair plegen. Naar het oordeel van de rechtbank was het daarom juister en duidelijker geweest om er mee te volstaan de primaire variant ten laste te leggen, waarbij het functionele daderschapsdeel zou kunnen worden weggestreept indien het niet zou zijn bewezen. Met de nadere uitleg daarbij is wel voldoende duidelijk wat de officier van justitie ten laste heeft willen leggen en waarom voor deze wijze van ten laste leggen is gekozen. De rechtbank komt dan ook niet tot het oordeel dat om bovenvermelde redenen de tenlastelegging partieel nietig is. Een louter juridisch oordeel over de wijze van ten laste leggen door een deel van de tenlastelegging nietig te verklaren, voegt niets toe. Dat geldt in de zaken van alle verdachten. Wel zal de rechtbank bij haar oordeel over de bewezenverklaring als uitgangspunt hanteren dat hetgeen primair is tenlastegelegd zowel het functionele als het gewone (mede)plegen omvat, waarbij de rechtbank overweegt dat het functioneel plegen van een strafbaar feit naar zijn aard als een subsidiaire variant moet worden aangemerkt. Indien immers de eigen (fysieke) bijdrage van een verdachte wezenlijk is geweest voor de uitvoering van een delict dan is deze eigen bijdrage het zwaartepunt van het verwijt, hetgeen dient te worden gereflecteerd in de kwalificatie. De kern van functioneel plegen daarentegen is dat iemand die niet persoonlijk in fysieke zin heeft bijgedragen aan het delict, daarvoor onder omstandigheden toch verantwoordelijk kan worden gehouden. Anders gezegd, pas als geen sprake is van het plegen kan sprake zijn van functioneel plegen. Er is dus sprake van een geldige dagvaarding. 4.3 Bevoegdheid van de rechtbank Den Haag De rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de strafzaak MH17. Deze bevoegdheid van de rechtbank Den Haag vloeit voort uit het bepaalde in artikel 2 van de Wet vervolging en berechting in Nederland van strafbare feiten in verband met neerhalen van Malaysia Airlines vlucht MH17. De behandeling van de strafzaak heeft niet plaatsgevonden in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zittingsplaats in het Paleis van Justitie in Den Haag, maar in het Justitieel Complex Schiphol in Badhoevedorp. Deze buiten het rechtsgebied van de rechtbank Den Haag gelegen zittingsplaats is op grond van het bepaalde in artikel 21b, derde lid, van de Wet op de Rechterlijke Organisatie door de minister van Justitie en Veiligheid aangewezen. 4.4 Ontvankelijkheid van de officier van justitie 4.4.1 Vooraf De vraag of de (Nederlandse) officier van justitie het recht heeft tot strafvervolging over te gaan (“ontvankelijk is in zijn vervolging”) valt uiteen in een drietal onderdelen. In de eerste plaats betreft dat de vraag naar het bestaan van zogenaamde rechtsmacht. Dat is in dit geval de vraag of het Nederlandse Wetboek van Strafrecht de bevoegdheid verleent om de feiten die de verdachten worden verweten in Nederland te vervolgen en te berechten. Is dat niet het geval, dan is de Nederlandse officier van justitie niet bevoegd om tot strafvervolging over te gaan. Verder betreft het recht tot strafvervolging over te gaan de vraag of in het internationale recht redenen zijn te vinden die de werking van het Nederlandse strafrecht desondanks beperken, zoals immuniteiten, en tot slot de vraag of de officier van justitie zijn recht om te vervolgen heeft verspeeld door procedurele gebreken in de manier waarop het onderzoek en de vervolging hebben plaatsgevonden, zoals door de verdediging van verdachte Pulatov is aangevoerd. De rechtbank bespreekt hierna deze drie vragen. 4.4.2 Verleent het Wetboek van Strafrecht rechtsmacht? Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van hetgeen aan de verdachten concreet is tenlastegelegd. Die verdenking is dat vlucht MH17 is neergestort als gevolg van het afvuren van een Buk-raket vanaf een plaats nabij Pervomaiskyi in Oekraïne. Dat betreft één feitencomplex dat de levens heeft gekost van 298 mensen van zeventien verschillende nationaliteiten, onder wie een groot aantal Nederlanders. In de tenlastelegging is dit feitencomplex juridisch in twee verweten gedragingen gesplitst. Onder 1 is dat – zoals hierboven aangegeven – het opzettelijk doen verongelukken van een luchtvaartuig met als gevolg de dood van de 298 inzittenden (strafbaar gesteld in artikel 168 Sr) en onder 2 is dat de moord dan wel doodslag op 298 personen (strafbaar gesteld in de artikelen 289 en 287 Sr). Die verweten feiten zijn in Oekraïne gepleegd, hetgeen in elk geval Oekraïne op grond van het territorialiteitsbeginsel de bevoegdheid geeft deze feiten te vervolgen. Toch heeft ook Nederland dat recht. Met het Openbaar Ministerie stelt de rechtbank namelijk vast dat het juridische verwijt in artikel 168 Sr één gedraging betreft, namelijk het doen verongelukken van een vliegtuig. Omdat artikel 5 Sr bepaalt dat de Nederlandse strafwet toepasselijk is op een ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een misdrijf tegen een Nederlander, en er onder de slachtoffers van de verweten gedraging van het doen verongelukken van de MH17 ook Nederlanders waren, is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie op grond van artikel 5 Sr tot vervolging van dat feit in Nederland mocht overgaan. De rechtbank stelt daarbij vast dat aan de eveneens gestelde vereisten van dubbele strafbaarheid en de Nederlandse minimumstraf van ten minste acht jaar is voldaan. Voor het verwijt van overtreding van artikel 168 Sr heeft Nederland dan ook zogenaamde originaire rechtsmacht. Dat ligt deels anders voor de moord of doodslag op 298 personen van uiteenlopende nationaliteiten. Dat verwijt betreft 298 keer het verwijt van het opzettelijk doden van een persoon. Het doden van die ene persoon is de kern van de verweten gedraging. Voor zover het slachtoffer van Nederlandse nationaliteit is, geldt eveneens dat de Nederlandse officier van justitie op grond van artikel 5 Sr tot vervolging mocht overgaan en Nederland dus originaire rechtsmacht heeft. Wat betreft de slachtoffers met een andere dan de Nederlandse nationaliteit is de rechtbank, anders dan het Openbaar Ministerie, van oordeel dat de grondslag voor de rechtsmacht niet in artikel 5 Sr kan worden gevonden, alleen omdat de oorzaak van de dood van alle slachtoffers is gelegen in één handeling. Het gaat hier om 298 verwijten van moord/doodslag die weliswaar dezelfde oorzaak hebben, maar zelfstandige feiten betreffen. De grondslag voor het vervolgingsrecht van de Nederlandse officier van justitie kan voor dat deel van het onder 2 ten laste gelegde verwijt naar het oordeel van de rechtbank wel gevonden worden in de zogenoemde afgeleide rechtsmacht van artikel 8b, eerste lid, Sr. Daarin is bepaald dat de Nederlandse strafwet van toepassing is op een ieder tegen wie de strafvervolging door Nederland van een vreemde staat is overgenomen op grond van een verdrag waaruit de bevoegdheid tot strafvervolging voor Nederland volgt. Een dergelijk verdrag is gesloten tussen Nederland en Oekraïne: het zogenaamde Verdrag van Tallinn. Nederland heeft in overeenstemming met de daarin opgenomen bepalingen de strafvervolging met betrekking tot vlucht MH17 overgenomen van Oekraïne. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom (afgeleide) rechtsmacht gevestigd op grond van artikel 5 en/of 8b, eerste lid, Sr over alle ten laste gelegde feiten, waaronder dus ook de onder 2 tenlastegelegde moord of doodslag op de inzittenden van het vliegtuig die niet de Nederlandse nationaliteit hebben. De rechtbank concludeert aldus dat volgens het Nederlandse Wetboek van Strafrecht de officier van justitie tot vervolging over kon gaan. 4.4.3 Is sprake van volkenrechtelijke beperking van rechtsmacht (immuniteit)? 4.4.3.1 Combattantenimmuniteit De rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat Nederland op grond van de artikelen 5 en 8b, eerste lid, Sr rechtsmacht heeft over de tenlastegelegde feiten. Ingevolge artikel 8d Sr kan de rechtsmacht desondanks worden beperkt door uitzonderingen die in het volkenrecht zijn erkend. Omdat het dossier aanwijzingen bevat dat het tenlastegelegde feitencomplex zich heeft afgespeeld in de context van een conflict rijst in deze zaak de vraag of er mogelijk sprake is van zogenaamde combattantenimmuniteit. Daar is door de verdachten, en door verdachte Pulatov zelfs nadrukkelijk, geen beroep op gedaan. Maar indien die combattantenimmuniteit aanwezig is, zou dat tot de conclusie leiden dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in zijn vervolging. Dat zou dan in de zaken van alle verdachten het geval kunnen zijn. Om die reden gaat de rechtbank nader op dit onderwerp in. De zogenaamde combattantenimmuniteit is een immuniteit die samenhangt met de mogelijke status van de verdachte als combattant in een gewapend conflict. Of een persoon de status van combattant heeft, wordt geregeld door het internationaal humanitair recht, ook wel oorlogsrecht genoemd. Onder het internationaal humanitair recht zijn personen die een combattantenstatus hebben geautoriseerd om deel te nemen aan vijandelijkheden en dus om gevechtshandelingen te verrichten (het combattantenprivilege). Indien deze handelingen worden verricht in overeenstemming met het internationaal humanitair recht kunnen zij voor deze handelingen, die in vredestijd als een misdrijf kunnen worden gezien, niet strafrechtelijk worden vervolgd (combattantenimmuniteit). Zoals aangegeven is het combattantenprivilege onderdeel van het internationaal humanitair recht. Van combattantenprivilege – en de daarmee samenhangende combattantenimmuniteit – kan dan ook enkel sprake zijn indien het internationaal humanitair recht van toepassing is. Het internationale humanitaire recht is van toepassing als sprake is van een gewapend conflict. In het internationaal humanitair recht wordt onderscheid gemaakt tussen internationale gewapende conflicten (van oudsher conflicten tussen landen) en niet-internationale (ook wel interne) gewapende conflicten. De bepalingen die het combattantenprivilege regelen hebben enkel betrekking op internationale gewapende conflicten en niet op niet-internationale gewapende conflicten. De rechtbank zal dan ook eerst moeten vaststellen of ten tijde van het neerstorten van vlucht MH17 sprake was van een gewapend conflict en tevens of dit internationaal of niet-internationaal van aard was. Indien de rechtbank vaststelt dat het conflict niet-internationaal van aard was, dan komt de verdachten reeds om die reden geen beroep toe op deze immuniteit. De rechtbank merkt hierbij op dat een op het eerste gezicht niet-internationaal gewapend conflict toch als internationaal gewapend conflict moet worden gezien als er sprake blijkt te zijn van zodanig sterke betrokkenheid van een ander land bij de groepering waarmee het ene land in gevecht is dat moet worden geoordeeld dat dat andere land feitelijk overall control heeft over die groepering. Indien de rechtbank vaststelt dat sprake was van een internationaal gewapend conflict, dan zal zij vervolgens moeten toetsen of de verdachten vallen in de categorie personen aan wie het combattantenprivilege toekomt en, zo ja, of zij ook overigens aan de voorwaarden daarvoor voldoen. Onder dat laatste valt de toets of de handelingen in overeenstemming met het internationaal humanitair recht zijn verricht. Nadrukkelijk brengt de rechtbank in herinnering dat de vraag naar eventuele combattantenimmuniteit moet worden beantwoord naar de feiten en omstandigheden rondom de tenlastegelegde periode. Hetgeen hierna wordt overwogen ziet dan ook op die periode in 2014, tenzij nadrukkelijk anders aangegeven. Om die feiten en omstandigheden te kunnen duiden zal de rechtbank eerst kort de situatie uit die periode schetsen in het gebied waarin de tenlastegelegde feiten zich volgens de tenlastelegging hebben voorgedaan. 4.4.3.1.1 De situatie in Oost-Oekraïne in juli 2014 Toen vlucht MH17 op 17 juli 2014 neerstortte in Oost-Oekraïne, was de situatie daar verre van rustig. Er was daar sinds ongeveer april 2014 sprake van een conflict waarin werd gevochten tussen het Oekraïense leger enerzijds en gewapende groeperingen anderzijds. Een belangrijk doel van deze groeperingen was te komen tot een of andere vorm van afscheiding van of zelfbestuur binnen de Oekraïense staat van (delen van het) grondgebied van Oekraïne. De rechtbank gebruikt voor deze groeperingen daarom de term ‘separatisten’ die aansluit bij hun doel, maar geen oordeel geeft over hun herkomst of over het conflict als zodanig. Eén van die groeperingen bestond uit diverse gewapende milities die streden onder de naam Donetsk People’s Republic, de DPR. In de strijd tegen de separatisten werd door Oekraïne gevochten onder de naam Anti-Terroristische Operatie (ATO). Op 11 mei 2014 verklaarden de separatisten in de in Oost-Oekraïne gelegen oblasten Donetsk en Luhansk zich daadwerkelijk onafhankelijk, waarmee voor hen de Volksrepublieken DPR en LPR (Luhansk People’s Republic) een feit waren. Daarna namen de gevechten tussen Oekraïne en de separatisten in hevigheid toe en werd aan beide zijden gebruikt gemaakt van steeds zwaardere wapens. Mede onder internationale druk werd door Oekraïne op 20 juni 2014 een eenzijdig staakt-het-vuren afgekondigd en kwam een korte periode van relatieve rust in Oost-Oekraïne. Na afloop van dat staakt-het-vuren hervatte het Oekraïense leger op 1 juli 2014 de ATO. Dat resulteerde in gevechten op twee fronten: in het noordoosten en in het zuidoosten van Oekraïne. In het noordoosten rukte het Oekraïense leger succesvol op en werden in de eerste helft van juli 2014 de separatisten richting het zuiden verjaagd. In het zuidoosten verliepen de gevechten een stuk moeizamer dan in het noordoosten. De strijd leidde daar tot lange, hevige gevechten vanaf begin juli 2014, die ook op 15, 16 en 17 juli 2014 nog voortduurden. Dit is het gebied waarin Pervomaiskyi ligt van waaruit op 17 juli 2014 vlucht MH17 zou zijn neergeschoten. 4.4.3.1.2 Was sprake van een gewapend conflict? De rechtbank dient allereerst te beoordelen of het conflict dat gaande was tussen het Oekraïense leger en de separatisten is aan te merken als een gewapend conflict. Door het Joegoslavië Tribunaal (ICTY) is in de zaak Tadić een algemeen geaccepteerde definitie gegeven van de twee hierboven genoemde soorten gewapend conflict: ‘[…] an armed conflict exists whenever there is a resort to armed force between States [rechtbank: internationaal gewapend conflict] or protracted armed violence between governmental authorities and organized armed groups or between such groups within a State [rechtbank: niet-internationaal gewapend conflict].’ Nu de verdachten allen een functie hebben bekleed binnen de DPR en zij de verweten gedragingen vanuit die functie in het kader van de strijd tussen de DPR en de Oekraïense strijdkrachten zouden hebben gepleegd, zal de rechtbank moeten beoordelen of deze strijd tussen de DPR – niet zijnde een staat – en de Oekraïense strijdkrachten kan worden gekwalificeerd als “protracted armed violence between governmental authorities and organized armed groups”. Duur en intensiteit van geweld De rechtbank ziet zich voor die beoordeling allereerst gesteld voor de vraag of tijdens (en de periode voorafgaande aan) het neerstorten van vlucht MH17 sprake was van vóórtdurend gewapend geweld van een zekere intensiteit – in de zin van protracted armed violence – op het grondgebied van Oekraïne. Bij de beantwoording van die vraag betrekt de rechtbank de volgende factoren die blijken uit het dossier. Vanaf april 2014 ontwikkelden zich drie gevechtsfronten in Oost-Oekraïne, die samen een groot gebied besloegen. Bijna dagelijks vonden confrontaties plaats tussen Oekraïense strijdkrachten (zowel lucht- als grondtroepen) en (leden van) separatistische groeperingen, variërend van schietincidenten tot luchtaanvallen. De strijdende partijen maakten in de gevechten over en weer onder meer gebruik van (hand)vuurwapens, mortieren, anti-tank mijnen, anti-personeel mijnen, draagbare luchtverdedigingssystemen, raketlanceerinstallaties, tanks, gepantserde voertuigen en artillerie systemen. Als gevolg van deze vijandelijkheden is door internationale organisaties het aantal slachtoffers in de periode van half april tot en met half juli 2014 geschat op duizend personen, bestaande uit zowel burgers als militairen. Het merendeel van de slachtoffers onder de burgerbevolking zou zogenaamde nevenschade zijn van gevechten die plaatsvonden in bevolkte gebieden. Meer dan 86.000 personen, van wie het merendeel vrouwen en kinderen, zijn ontheemd geraakt en op de vlucht geslagen. Volgens (internationale) gouvernementele en niet-gouvernementele organisaties zijn vele mensenrechten op grote schaal in het gedrang gekomen. In de VN Veiligheidsraad was het conflict in Oost-Oekraïne een terugkerend onderwerp van gesprek. Reeds op basis van deze factoren is de rechtbank van oordeel dat het geweld in Oost-Oekraïne dat vanaf april 2014 begon tijdens het neerstorten van vlucht MH17 op 17 juli 2014 zodanig lang duurde en intensief was dat gesproken kan worden van protracted armed violence tussen enerzijds Oekraïense strijdkrachten en anderzijds separatistische groeperingen, waaronder de DPR. Organisatie van de DPR De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de DPR in datzelfde tijdsbestek zodanig georganiseerd was dat kan worden gesproken van een ‘georganiseerde gewapende groep’, zoals de hierboven genoemde definitie vereist. Bij de beantwoording van die vraag betrekt de rechtbank de volgende factoren. Al op 7 april 2014 werd de totstandkoming van de DPR uitgeroepen door gewapende personen die het regionale administratieve gebouw in Donetsk bezet hielden. Op 11 mei 2014 verklaarden de separatisten in de oblasten Donetsk en Luhansk zich onafhankelijk na referenda die niet door Oekraïne werden erkend, en waren voor hen de DPR en de LPR een feit. Beide republieken benoemden leiders en regeringen, en stelden hun eigen grondwet in. In deze grondwet werden de bevelstructuur en taakverdeling in de organisatie uiteen gezet. Hierin is ook opgenomen dat de minister van Defensie de directe leiding heeft over de strijdkrachten op operationeel vlak. Onder de vlag van de DPR opereerden verschillende milities met elk een commandant. Uit interviews en getapte telefoongesprekken blijkt dat voor het merendeel van deze milities inderdaad geldt dat zij (zeker naarmate de tijd voortschreed) onder het gezag van de minister van Defensie vielen, met uitzondering van een enkele militie. Hoewel de verhouding tussen de verschillende milities niet altijd duidelijk is en zij niet altijd per se precies dezelfde doelstellingen leken te hebben, kan naar het oordeel van de rechtbank in zijn algemeenheid worden gesteld dat alle milities met behulp van wapens streden voor (een grotere mate van) onafhankelijkheid van Oekraïne. Ook was een strategie herkenbaar waarbij, vanaf de oprichting van de DPR, te zien is dat de organisatie bezig was met het op gewapende wijze overnemen van gezag over diverse Oost-Oekraïense steden, zoals Sloviansk, Kramatorsk en Donetsk en dat zij binnen die steden hoofdkwartieren inrichtte, zoals het gebouw van de Oekraïense veiligheidsdienst SBU in Sloviansk en (later) in Donetsk. Blijkens vonnissen van het zogenaamde Militair Veldtribunaal van de DPR beschikte de organisatie bovendien over een krijgswet. De DPR heeft ook meermalen meegewerkt aan de totstandkoming van staakt-het-vuren overeenkomsten, hetgeen eveneens duidt op een bepaalde mate van organisatie en betrokkenheid bij wapengeweld. Naar het oordeel van de rechtbank leiden al deze factoren in onderlinge samenhang bezien tot de conclusie dat de DPR in de periode voorafgaande aan en tijdens het neerstorten van vlucht MH17 zodanig georganiseerd was dat kan worden gesproken van een georganiseerde gewapende groep. De gevechten tussen het Oekraïense leger en de DPR kunnen dan ook worden gekwalificeerd als een gewapend conflict. 4.4.3.1.3 Aard van het gewapend conflict Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat in de periode voorafgaand aan en tijdens het neerstorten van vlucht MH17 sprake was van intensief geweld tussen enerzijds Oekraïense strijdkrachten en anderzijds (onder meer) de georganiseerde gewapende groep DPR, is voldaan aan de vereisten om te kunnen spreken van een niet-internationaal gewapend conflict. De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of er redenen zijn om aan te nemen dat de rol van een (ander) land bij het conflict tussen de DPR en Oekraïne zodanig was dat dit (geografisch) niet-internationaal gewapende conflict in de bedoelde periode is te kenmerken als een conflict dat in feite internationaal van aard was (geïnternationaliseerd). Daarvan zou sprake kunnen zijn als een bepaald niveau van betrokkenheid van een ander land vastgesteld kan worden. In casu zou het dan gaan om een grote mate van betrokkenheid van de Russische Federatie. Het gaat dan in deze zaak – vanwege de positie c.q. rol van de verdachten binnen de DPR – niet om de vraag of de Russische Federatie mogelijk los van het gewapend conflict tussen de DPR en Oekraïne ook zelf rechtstreeks geweld gebruikte tegen Oekraïne (directe betrokkenheid van de Russische Federatie), maar om de vraag of de Russische Federatie zodanig betrokken was bij de DPR dat kan worden geoordeeld dat ze in feite overall control had over de DPR. In dat geval moet het niet-internationaal gewapende conflict tussen de DPR en de Oekraïense strijdkrachten alsnog als een internationaal gewapend conflict worden gezien en kan alsnog de vraag naar een combattantenimmuniteit aan de orde komen. Bij het beoordelen van de vraag of de Russische autoriteiten overall control hadden over de DPR kan de rechtbank overigens wel feiten en omstandigheden betrekken die wijzen op directe betrokkenheid van de Russische Federatie in de gevechtshandelingen, zoals hierna zal worden besproken. Voor de beoordeling van de vraag van overall control slaat de rechtbank acht op de volgende factoren. Achtergrond DPR-leden Meerdere van de toenmalige leiders binnen de DPR beschikken over de Russische nationaliteit en een aantal van hen heeft bovendien een achtergrond binnen de Russische strijdkrachten. Zo heeft bijvoorbeeld de toenmalige minister van Defensie van de DPR, verdachte Girkin, de Russische nationaliteit, is hij werkzaam geweest bij de Russische inlichtingendienst FSB en heeft hij deelgenomen aan de oorlogen in Tsjetsjenië, Transnistrië en Bosnië. Zijn plaatsvervanger in de DPR en ‘hoofd van de inlichtingendienst’ van de DPR, verdachte Dubinskiy, heeft eveneens de Russische nationaliteit, een achtergrond binnen de Russische militaire inlichtingendienst GRU en heeft deelgenomen aan de oorlogen in Afghanistan, Noord-Ossetië en Tsjetsjenië. Van de leiders binnen de DPR is evenwel niet in alle gevallen helder in welke hoedanigheid zij betrokken zijn geweest bij de DPR. Hoewel meerderen van hen aangeven dat zij in de Russische Federatie met pensioen (in reserve) waren en zelfstandig en vrijwillig naar Oekraïne zijn gekomen is niet duidelijk of dit ook daadwerkelijk het geval is of dat zij daarheen zijn gestuurd door de autoriteiten van de Russische Federatie. Voor sommigen van hen lijkt in ieder geval op basis van getapte gesprekken een nauwe band te bestaan met de Russische Federatie. Zo is over de invulling van meerdere ministersposten binnen de DPR contact geweest tussen leiders van de DPR en Surkov, destijds de naaste adviseur van de Russische president Poetin. In een getapt gesprek van 16 mei 2014 vertelt Borodai dat de regering (van de DPR) bekend gaat worden gemaakt, dat Moskou hem heeft verrast en dat hij tot premier wordt benoemd, tot grote teleurstelling van iemand anders die uit Moskou naar Oost-Oekraïne is gekomen. Borodai is kort na dit getapte gesprek ook daadwerkelijk tot premier van de DPR benoemd. Over de benoeming van een met naam genoemde persoon voor de functie van minister van Binnenlandse Zaken wordt in een getapt gesprek van 15 mei 2014 tussen Borodai en de voorzitter van de opperste raad van de DPR gezegd dat die kandidaat ‘suits Moscow’ en dat de ‘Moscow Generals’ zich daar in kunnen vinden. In een gesprek later die dag van diezelfde voorzitter van de opperste raad wordt door hem gezegd dat de lijst met regeringsposten van ‘the hero city’ niet mag worden uitgebreid en dat één met naam genoemde persoon in elk geval niet in de Security Council komt, omdat Moskou hem niet heeft goedgekeurd. De toenmalige minister van Cultuur van de DPR heeft bovendien in een getuigenverhoor verklaard dat de vicepremiers van de DPR vanuit Moskou afkomstig waren en dat zij grote invloed hadden op het functioneren van de DPR. Meerdere leiders van de DPR onderhielden rondom de tenlastegelegde periode banden met personen van Russische inlichtingendiensten, de Presidentiële administratie en adviseurs van het Kremlin. In getapte gesprekken wordt geregeld gerefereerd aan het opnemen van contact met ‘Moskou’. Een voorbeeld is een gesprek tussen Dubinskiy en Bezler op 4 juli 2014, waarin Dubinskiy vertelt dat Girkin contact heeft gehad met Moskou, maar dat Moskou niet wil dat Sloviansk wordt overgegeven. De rechtbank wijst ook op een gesprek van Girkin op 10 juli 2014 waarin hij tegen Dubinskiy zegt dat hij constant aan de telefoon hangt om in contact te komen met Moskou om te rapporteren over de situatie. Met verschillende hooggeplaatste personen in de Russische Federatie werden contacten onderhouden, soms ook via speciale communicatiemiddelen (‘the Glass’) en via vanuit de Russische Federatie geleverde beveiligde telefoons. Zo had Borodai, de leider van de DPR, in de periode van 20 juni 2014 tot in augustus 2014 vrijwel dagelijks contact met Surkov. In een interview van 16 juni 2014 wordt Surkov door Borodai ‘onze man in het Kremlin’ genoemd. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze verwijzingen naar ‘Moskou’ en ‘the hero city’ niet anders worden geduid dan als verwijzingen naar de regeringszetel en worden daarmee dus de autoriteiten van de Russische Federatie bedoeld. Steun In de contacten van DPR-leiders met hooggeplaatste personen binnen de Russische Federatie werd geregeld om hulp gevraagd, zoals benodigde mankracht, militair materieel en training. Deze hulp werd ook geleverd. In uitspraken van vertegenwoordigers, rapporten en rapportages van organisaties zoals de NAVO, de VN Veiligheidsraad, het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, de OVSE en Human Rights Watch wordt melding gemaakt van bevoorrading en bewapening van separatisten vanuit de Russische Federatie. Daarbij wordt gerefereerd aan konvooien met militaire wapens die de grens over zouden zijn gebracht. Dit komt overeen met hetgeen in getapte gesprekken is te horen. Zo vertelt Dubinskiy in een getapt gesprek op 12 juni 2014 dat duidelijk is geworden dat Rusland hulp verleent, waaronder zware wapens, zegt Kharchenko in een gesprek op 20 juni 2014 tegen Dubinskiy dat ook het tweede konvooi dat over de grens kwam niet is wat ze verwachtten en verwachtte Girkin op 15 juli 2014 een lading, een groot ding dat heel fijn voor ‘ons’ is, die op de grens moet worden aangenomen. Hoewel uit taps niet altijd blijkt of het gaat om wapens en goederen van private verstrekkers of van de Russische overheid, heeft de minister van Cultuur van de DPR verklaard dat verzoeken uit de ministerraad van de DPR om wapens door Borodai werden doorgezet naar de GRU. Na goedkeuring van de GRU werden de wapens via de ‘Black Zero’ (de rechtbank begrijpt: illegale grensovergang) Oekraïne binnen gebracht. De rechtbank constateert daarnaast dat de NAVO meermalen de Russische Federatie heeft opgeroepen om te stoppen met het geven van steun en wapens aan de Oekraïense separatisten. In getuigenverklaringen wordt ook melding gemaakt van financiering van de DPR door de Russische Federatie. Door de toenmalige minister van Arbeid en Welzijn van de DPR is bijvoorbeeld verklaard dat de persoon die de financiering regelde deze ontving met medewerking van de Russische presidentiële administratie en dat de Russische Federatie de DPR financierde sinds ten minste de zomer van 2014. Ook in getapte gesprekken wordt gesproken over steun die uit de Russische Federatie komt. Zo wordt in een gesprek van 13 juli 2014 door een DPR-strijder geklaagd hoe het zit met spullen en salarissen, waarop wordt geantwoord dat ‘ze’ vandaag voor een lading naar Rostov gaan. In de getapte gesprekken wordt veelal geen directe melding gemaakt van de bron van de financiering binnen de Russische Federatie, anders dan de vermelding dat dit vaak via Rostov loopt. De rechtbank concludeert dat hiermee de Russische stad Rostov wordt bedoeld. In diverse getuigenverklaringen wordt gesproken over militaire trainingen voor de strijders van de DPR die plaatsvonden in de Russische Federatie. Vaak ging het daarbij om training in (wederom de Russische plaats) Rostov. Ook in getapte gesprekken wordt over trainingen en een trainingskamp gesproken. In een tapgesprek van 2 juli 2014 spreken separatisten over hun dringende behoefte aan mensen en over wanneer de ‘kampmannen’ hier arriveren, en op 3 juli 2014 vertelt een DPR-strijder dat de jongens naar de training ‘across the river’ gingen. Ook hiervoor geldt dat niet altijd blijkt of deze trainingen op private basis werden gegeven of waren opgezet door of vanuit de Russische autoriteiten. In een gesprek van de toenmalige minister van Defensie van de LPR, waarmee de DPR samenwerkte, wordt echter wel duidelijk verwezen naar de rol hierbij van de Russische GRU. In dat gesprek van 15 juli 2014 wordt de minister verteld over een training die wordt aangeboden voor tien personen, waarop de minister aangeeft dat dit via de GRU moet lopen. Ook uit enkele getuigenverklaringen blijkt van betrokkenheid bij trainingen door Russische instanties. Zo verklaart getuige M58, over wie later meer, dat hij naar de FSB werd gebracht en toen naar een kamp in het Russische Rostov, waar hij werd opgeleid. Daarna werd hij naar de Donbas gebracht. Coördinatie en instructies Voor de vraag of sprake was van overall control is vooral van belang of – los van de achtergrond van de DPR-leden en de steun door de Russische Federatie aan de DPR – de Russische Federatie een coördinerende rol op zich heeft genomen en instructies heeft gegeven aan de DPR. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier hiervoor een overvloed aan aanwijzingen. Er zijn, zoals hiervoor reeds aangegeven, vele tapgesprekken waarin aan (personen werkzaam voor) ‘Moskou’ wordt gerapporteerd over de situatie in het veld, zoals tegenslagen en behaalde successen. Ook getuigt een aantal tapgesprekken van planning vanuit de autoriteiten van de Russische Federatie. Zo wordt in een tapgesprek van 3 juli 2014 door Surkov aan Borodai gemeld dat Antyufeev (rechtbank: kort daarna vicepremier voor staatsveiligheid van de DPR) de kant van Borodai op komt en dat ‘ze’ al op zaterdag naar het Zuiden vertrekken om gevechtsklaar te zijn. Op 11 juli 2014 vertelt Surkov vervolgens aan Borodai dat hij heeft gesproken met degenen die aan de leiding staan van ‘this whole military story’ en dat ze hebben aangegeven dat zij met voorbereidingen bezig zijn en alles gaan versnellen. En op 10 juli 2014 belt een leider van de DPR om te vertellen dat hij in Moskou een opdracht heeft gekregen om het eerste Kozakken Regiment van Novorossya te vormen. In getapte gesprekken wordt voorts gesproken over de rol van Moskou met betrekking tot concrete operaties. In een getapt gesprek van 4 juli 2014 met betrekking tot Sloviansk vertelt een leidinggevende van de DPR dat er contact is geweest met Moskou, maar dat Moskou niet wil dat Sloviansk wordt overgegeven. Omdat geen concrete steun kwam, is dit bevel niet opgevolgd, zo werd door de minister van Defensie van de DPR, verdachte Girkin, verklaard in een interview van juli 2014. In een telefoongesprek van 18 juli 2014 wordt door twee leden van de DPR gesproken over de omsingeling van een Oekraïense brigade, waarop één van de twee gespreksdeelnemers te kennen geeft dat hij contact heeft gehad met Moskou en dat Moskou heeft aangegeven dat de levens van de soldaten gespaard moeten worden. Ook opvallend in dit kader is een reeks telefoongesprekken tussen Borodai en een Russisch nummer op 21 juli 2014. Borodai wil de baas spreken, maar die is niet beschikbaar. Borodai vraagt – toenemend indringend – of de baas hem kan terugbellen, omdat hij advies en instructies nodig heeft over aspecten van de afhandeling van de ramp met de MH17; bijvoorbeeld met betrekking tot de koelwagens en de zwarte doos. Daarnaast wil Borodai graag gesprekspunten weten voor een persconferentie. Borodai merkt hierbij op dat hij aanneemt dat ‘onze buren’ wel iets over de zaak willen zeggen. De omstandigheid dat Borodai hier spreekt over ‘onze buren’, en vraagt naar ‘de baas’ terwijl hij zelf de hoogste in rang is binnen de DPR, bevestigt naar het oordeel van de rechtbank dat de baas waar hij naar vraagt een vertegenwoordiger is van de autoriteiten van de Russische Federatie. Directe deelname Russische Federatie In de berichtgeving en rapporten van verschillende organisaties wordt gesproken over (artillerie)beschietingen op Oekraïens grondgebied, die vanuit de Russische Federatie zouden zijn uitgevoerd. Vanaf de eerste helft van juli 2014 zouden Russische militairen zich met regelmaat over de grens verplaatsen en zouden cross-border aanvallen plaatsvinden. In een onderzoek wijst het International Partnership for Human Rights op artilleriebeschietingen bij de grens met de Russische Federatie op een Oekraïens kampement begin juli 2014, en in een ambtsbericht van 16 november 2016 stelt ook de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) dat er tussen 11 juli 2014 en 17 juli 2014 door raketartillerie eenheden vanaf Oekraïens grondgebied nabij de Russische grens is geschoten op onbekende doelen in Oekraïne. Volgens het bericht tonen de aangetroffen rij- en afvuursporen aan dat artillerie-installaties vanuit het Russische grondgebied Oekraïne zijn binnengereden. Ook getuigen hebben verklaard over Russisch materieel dat door Russische militairen was bemand, de grens overstak, beschietingen uitvoerde en vervolgens weer terugreed. Daarnaast bevestigen tapgesprekken het bestaan van dergelijke aanvallen. Zo wordt in een getapt gesprek van 12 juli 2014 tussen twee leden van de DPR gezegd dat Rusland eindelijk is begonnen met het openen van vuur op de Oekraïense strijdkrachten. In een getapt gesprek van 16 juli 2014 wordt door twee DPR-leden, namelijk de verdachten Dubinskiy en Pulatov, gesproken over de problemen die zij hebben omdat ze onder vuur liggen. Pulatov geeft aan dat Rusland los kan gaan, waarop Dubinskiy antwoordt dat hij posities op de kaart heeft aangegeven die naar Moskou zullen worden gestuurd. In een gesprek van 17 juli 2014 zegt verdachte Dubinskiy dat Rusland vanaf haar kant op hun posities zou knallen. Voornoemde gesprekken zijn slechts voorbeelden van meerdere vergelijkbare getapte gesprekken in het dossier. Dit alles duidt niet slechts op een vorm van parallelle directe betrokkenheid, maar vooral op onderling gecoördineerde militaire acties door de DPR en de Russische Federatie. De Russische autoriteiten hebben tot dusver ontkend destijds betrokken te zijn geweest bij het conflict in Oost-Oekraïne. De rechtbank overweegt echter onder verwijzing naar het vorenstaande dat uit het dossier zonder meer blijkt dat door de Russische Federatie is voorzien in financiering van de DPR, de levering en training van manschappen en de levering van wapens en goederen. Daarnaast heeft de Russische Federatie in ieder geval vanaf half mei 2014 een bepalende invloed gehad op de invulling van meerdere hoge posities binnen de DPR, waaronder die van premier en minister van Defensie. Hiermee hebben de Russische autoriteiten aanzienlijke invloed gehad op het bewind van de DPR. Dat de Russische Federatie ook daadwerkelijk deze invloed heeft aangewend blijkt uit het feit dat de Russische autoriteiten al vóór het neerstorten van vlucht MH17 (direct) betrokken zijn geweest bij de coördinatie en uitvoering van militaire acties. Gelet op het vorenstaande concludeert de rechtbank dat de Russische Federatie vanaf half mei 2014 tot aan in ieder geval het neerstorten van vlucht MH17 overall control heeft uitgeoefend over de DPR. Daarmee wordt het geografisch niet-internationale gewapende conflict geïnternationaliseerd en dus alsnog een internationaal gewapend conflict. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat op 17 juli 2014 op het grondgebied van Oekraïne een internationaal gewapend conflict heeft plaatsgevonden tussen Oekraïne en de DPR, die daarbij onder de overall control stond van de Russische Federatie. 4.4.3.1.4 De status van combattant Nu het conflict tussen Oekraïne en de DPR moet worden gezien als een internationaal gewapend conflict, gelden de bepalingen van het internationaal humanitair recht die zien op de combattantenstatus. De rechtbank ziet zich dan ook gesteld voor de vraag of leden van de DPR aanspraak kunnen maken op een dergelijke status. Lid van de strijdkrachten van de DPR – Definitie combattant van artikel 43 API Ingevolge het bepaalde in artikel 43 van het eerste Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève, kunnen leden van de DPR slechts als combattant worden gezien en hebben zij dus pas het ‘recht’ om deel te nemen aan de vijandelijkheden als zij lid zijn van de strijdkrachten van één van de strijdende staten, in dit geval dus van de Russische Federatie. De strijdkrachten van de Russische Federatie kunnen in dit verband worden gezien als alle georganiseerde strijdkrachten, groepen en eenheden die onder een bevel staan dat tegenover de Russische Federatie verantwoordelijk is voor het gedrag van ondergeschikten. Bovendien moeten deze strijdkrachten zijn onderworpen aan een intern krijgstuchtrechtelijk systeem dat onder andere de nakoming van de regels van het volkenrecht dient te verzekeren. Alleen als daaraan is voldaan kan met succes een combattantenprivilege worden geclaimd. De rechtbank stelt voorop dat de DPR geen onderdeel was van de officiële strijdkrachten van de Russische Federatie maar dat – zoals zij hiervoor heeft vastgesteld – wel sprake was van overall control door de Russische Federatie. Die vaststelling van overall control is op zichzelf echter onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake is van het staan onder een bevel dat tegenover de Russische Federatie verantwoordelijk is voor het gedrag van ondergeschikten. Daarvoor moet de Russische Federatie de DPR ook nog accepteren als bij haar behorend en verantwoordelijkheid nemen voor het gedrag en handelen van de strijders (onder het bevel) van de DPR. De rechtbank constateert dat hiervan geen sprake is, nu de Russische Federatie tot op de dag van vandaag elke controle op en betrokkenheid bij de DPR in die periode heeft ontkend en ook de verdachten publiekelijk hebben ontkend destijds onderdeel te hebben uitgemaakt van de strijdkrachten van de Russische Federatie. De strijders van de DPR kunnen dan ook niet worden gezien als onderdeel van de strijdkrachten van de Russische Federatie. Nu de DPR niet kan worden gezien als onderdeel van de strijdkrachten van de Russische Federatie kunnen de leden van de DPR ook niet worden beschouwd als behorende tot die strijdkrachten. Alleen al om die reden komt hun dan ook geen recht toe op deelname aan de vijandelijkheden en daarmee evenmin op immuniteit voor vervolging. De rechtbank komt dan ook niet meer toe aan de overige vereisten voor het eventueel kunnen inroepen van immuniteit, zoals de vraag of de verdachten de regels van het internationaal humanitair recht naar behoren hebben nageleefd. De rechtbank overweegt ten overvloede dat in de literatuur wel wordt betoogd dat tevens zou moeten worden getoetst aan de criteria van artikel 4 onder A van de Derde Geneefse Conventie (GCIII), bij het beoordelen van de vraag of verdachten een combattantenprivilege toekomt. De rechtbank is van oordeel dat dit onjuist is. Dit artikel ziet niet op combattanten en hun privileges en immuniteiten, maar op de status van krijgsgevangenen. 4.4.3.2 Conclusie De rechtbank concludeert dat van een volkenrechtelijke beperking van de rechtsmachtsbepalingen niet is gebleken. De officier van justitie is dan ook ontvankelijk in zijn vervolging. Nu niet wordt voldaan aan de door het Openbaar Ministerie gestelde voorwaarde in zijn voorwaardelijk verzoek betrekking hebbend op het onderwerp combattantenimmuniteit, behoeft dat verzoek geen nadere bespreking. 4.4.4 Heeft de officier van justitie het vervolgingsrecht verspeeld? 4.4.4.1 Vooraf Als bij het voorbereidende onderzoek vormen zijn verzuimd (vormfouten zijn gemaakt) die niet meer kunnen worden hersteld kan de rechter daaraan gevolgen verbinden. Een vormverzuim is het niet naleven van geschreven en ongeschreven regels van strafprocesrecht, waaronder wettelijke en verdragsbepalingen, zoals het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Die regels bestaan om een effectieve waarheidsvinding en berechting mogelijk te maken, waarbij de rechten en belangen van alle in het strafproces betrokken partijen worden betrokken en gerespecteerd. Fundamentele regels dus, die raken aan de kern van een eerlijk proces. Uit de wet en de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het moet gaan om vormverzuimen die zijn begaan in het onderzoek dat voorafgaat aan het onderzoek ter terechtzitting, waaronder ook begrepen normschendingen bij de opsporing. Maar ook om vormverzuimen die van bepalende invloed zijn geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de verdere vervolging van de verdachte voor het feit waarvoor hij wordt vervolgd. Omdat de geschonden regels van verschillende aard en impact kunnen zijn, zijn de daaraan te verbinden rechtsgevolgen dat ook. In oplopende mate van zwaarte kunnen aan een vormverzuim de volgende consequenties worden verbonden: de loutere constatering daarvan, strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie. Wanneer als verweer wordt aangevoerd dat zich een vormverzuim heeft voorgedaan moet de rechter eerst beoordelen of de aan dat verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden en of deze een vormverzuim opleveren. En als sprake is van een vormverzuim zal de rechter een gemotiveerde beslissing moeten nemen of en, zo ja, welk rechtsgevolg aan het geconstateerde vormgebrek moet worden verbonden. Dat hangt weer af van de ernst van het vormverzuim, de daardoor geschonden belangen van de verdachte, de vraag of door de schending een eerlijk proces in het geding is gekomen of dat ‘louter’ sprake is van de schending van een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel dat niet direct resulteert in een oneerlijke procedure en of zich onregelmatigheden hebben voorgedaan die de betrouwbaarheid en accuraatheid van onderzoeksresultaten wezenlijk hebben aangetast. Wanneer bewijsuitsluiting wordt overwogen kan de rechter daarbij ook betrekken of dat rechtsgevolg opweegt tegen de te verwachten negatieve effecten daarvan en of daarmee niet op onaanvaardbare wijze afbreuk wordt gedaan aan zwaarwegende belangen als waarheidsvinding, bestraffing van de dader van een ernstig strafbaar feit en aan de rechten van slachtoffers en hun nabestaanden, mede gelet op de uit het EVRM voortvloeiende positieve verplichtingen tot effectieve bestraffing. In het algemeen geldt dat hoe groter de ernst van het vormgebrek en de gevolgen daarvan zijn, des te zwaarder het rechtsgevolg is dat de rechter daaraan kan verbinden. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de zwaarste sanctie voor een vormverzuim, de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, slechts in zeer uitzonderlijke gevallen aan de orde kan zijn. Het vormverzuim zal erin dienen te bestaan dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht van een verdachte op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd, waardoor moet worden geconcludeerd dat “the proceedings as a whole were not fair”. Vervolging is dan apert onredelijk. De minder vergaande sancties van bewijsuitsluiting, strafvermindering of loutere constatering moeten altijd als eerste door de rechter worden overwogen voordat de meest vergaande sanctie van niet-ontvankelijkverklaring in beeld kan komen. De verdediging van verdachte Pulatov heeft een groot aantal redenen benoemd die volgens haar ieder voor zich, maar zeker bij elkaar opgeteld, zodanig ernstige schendingen van wettelijke, verdragsrechtelijke en beginselen van behoorlijke procesorde (dus vormfouten) opleveren dat verdachte geen eerlijke procedure heeft genoten. De enige juiste consequentie daarvan moet zijn dat de officier van justitie zijn vervolgingsrecht heeft verspeeld en niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aldus de verdediging. De vele redenen die de verdediging van Pulatov heeft gegeven staan genoemd in Delen I en II van haar pleitnota, en hetgeen daarna nog bij dupliek is aangevoerd. Daarin is niet alleen een grote mate van gelaagdheid aangebracht, maar tevens een onderlinge conditionele verwevenheid. Daarnaast wordt bij die argumenten veelvuldig vooruit en achteruit gewezen naar argumenten die op andere plekken en andere momenten en ter onderbouwing van eerdere en andere stellingen zijn aangevoerd. De rechtbank heeft die argumenten in haar bespreking daarvan daarom zakelijk samengevat. De rechtbank destilleert uit de jurisprudentie van de Hoge Raad dat de kern van de toets die zij moet aanleggen bij de beoordeling van mogelijk aanwezige vormfouten waaraan een niet-ontvankelijkheid kan worden verbonden die is van de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) geformuleerde “overall fairness of the trial” (hierna ook: een eerlijke procedure). Die overall fairness bestaat uit twee pijlers die elkaar versterken en aanvullen. De eerste is dat de rechter aan wie de zaak (de beschuldiging) ter beoordeling wordt voorgelegd in het belang van de verdachte en de overige betrokkenen in openheid, onafhankelijkheid en onpartijdigheid, zonder vooringenomen te zijn, de zaak onderzoekt en vervolgens met toepassing van de daarvoor geldende regels tot een gemotiveerd oordeel komt. De tweede pijler is dat de verdachte, of namens hem zijn advocaat, in voldoende mate tegen het onderzoeksmateriaal en de beschuldigingen heeft kunnen inbrengen wat hij daartegen wil inbrengen en daartoe het door hem gewenste (tegen)onderzoek heeft kunnen (laten) uitvoeren. Daarvoor moet hij voldoende tijd en gelegenheid hebben gehad. Om te kunnen spreken van een eerlijke procedure voor de verdachte moet hij dus zijn verdedigingsrechten in optimale vorm hebben kunnen uitvoeren en ook het vertrouwen kunnen hebben dat de rechter die zijn zaak behandelt na een gedegen onderzoek tot een afgewogen en objectief oordeel in zijn zaak komt. Wat een eerlijke procedure is hangt mede samen met de omstandigheden van het geval. Een eerlijke procedure wordt, naar het oordeel van de rechtbank, niet alleen bepaald door de belangen van de verdachte, maar houdt ook in dat rekening wordt gehouden met de gerechtvaardigde belangen van andere bij de strafprocedure betrokken personen, zoals slachtoffers, nabestaanden en getuigen en daarnaast ook met het publieke belang in onderzoek en bestraffing van de specifieke misdaad in kwestie. Hoe die belangen gewogen moeten worden kan gaandeweg de strafprocedure ook nog veranderen. Tevens kunnen bestaande onvolkomenheden gedurende de procedure nog worden hersteld. Of sprake is geweest van een eerlijke procedure is in beginsel een balans die het best achteraf kan worden opgemaakt. Dan immers is bekend of de rechtbank in de juiste mate alle betrokken belangen heeft afgewogen en in de juiste verhouding tot elkaar heeft beoordeeld. Daarbij kan dan de hele fase van het onderzoek ter terechtzitting worden betrokken, alsook, en niet onbelangrijk, de uiteindelijke beslissingen die de rechtbank heeft genomen en de wijze waarop zij haar keuzen en beslissingen heeft gemotiveerd. Omdat de rechtbank in het kader van de opgeworpen vraag naar de ontvankelijkheid van de officier van justitie vanwege beweerde vormfouten al in de fase van de voorvragen moet beoordelen of sprake is (geweest) van een eerlijke procedure en daarnaast ook een dergelijke toets moet aanleggen vóórdat zij haar uitspraak doet, ontkomt de rechtbank er niet aan om bij die twee fasen al vooruit te kijken. Dat betekent ook dat de rechtbank in zekere mate eveneens haar eigen handelwijze tijdens het onderzoek ter terechtzitting zal moeten beoordelen. Immers, het zijn niet alleen de keuzen die door het Openbaar Ministerie en de opsporingsdiensten in het voorbereidende onderzoek zijn gemaakt die bepalen of gesproken kan worden van een eerlijke procedure, maar ook óf en de wijze waarop de rechtbank die keuzen goed- of afkeurt of herstelt, de daarvoor gebruikte motivering en de wijze waarop zij tijdens het onderzoek ter terechtzitting de belangen van alle betrokkenen heeft betrokken en vorm heeft gegeven. Potentiële vormgebreken die niet (direct) raken aan het recht op een eerlijk proces halen in de lijn van de Hoge Raad wat betreft het eraan te verbinden rechtsgevolg in elk geval niet de drempel van een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring. In het voorkomende geval zal de rechtbank bezien of een eventueel ander, minder zwaar, rechtsgevolg aan een geconstateerd vormgebrek verbonden zal moeten worden. Los daarvan zal de rechtbank nog nagaan of een eventuele cumulatie van vormgebreken die op zichzelf niet de drempel halen van een niet-ontvankelijkverklaring in gezamenlijkheid tot de conclusie zou kunnen leiden dat geen sprake (meer) is van een eerlijk proces. 4.4.4.2 Proceshouding Openbaar Ministerie Onder de noemer ‘Proceshouding Openbaar Ministerie’ voert de verdediging van verdachte Pulatov twee hoofdargumenten aan die tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie zouden moeten leiden. Dat betreft de schending van de onschuldpresumptie in (met name) media uitlatingen en het ‘rauwelijks dagvaarden’ van verdachte Pulatov met allerlei daaruit voortvloeiende consequenties voor het proces. Schending onschuldpresumptie door openbaarmakingen Omdat het Joint Investigation Team (JIT) en het Openbaar Ministerie, maar ook andere autoriteiten zich bij herhaling en in stellige bewoordingen publiekelijk hebben uitgelaten over de feiten die (zouden) zijn gepleegd ten aanzien van vlucht MH17 en over wie daarvoor als schuldigen (zouden) zijn aan te wijzen, en verdachte Pulatov (en zijn drie medeverdachten) op enig moment ten overstaan van de gehele wereld(pers) met naam en toenaam als pleger van deze feiten is (zijn) genoemd en op afbeelding is (zijn) getoond, was het volgens de verdediging van verdachte Pulatov voor vrijwel niemand meer mogelijk te geloven in de onschuld van de verdachte(n). De verdediging heeft daarbij meermalen (minder en meer expliciet) aangegeven dat dit verlies van de onschuldpresumptie dan ook wel voor de rechters in deze zaak zal gelden. Het is wat de rechtbank betreft een gegeven dat het JIT en het Openbaar Ministerie zich op meerdere persmomenten vóór aanvang van het onderzoek ter terechtzitting in behoorlijk stellige bewoordingen hebben uitgelaten over wat volgens hen met vlucht MH17 zou zijn gebeurd. Tot aan de persconferentie van 19 juni 2019 betrof dat publieke uitlatingen over met welk wapen, waar vandaan afkomstig, vanuit waar afgeschoten en door welke partij in het conflict dat was gedaan. Tijdens de persconferentie van 19 juni 2019 werden aan deze uitlatingen de namen en afbeeldingen van de vier verdachten in deze strafzaak gekoppeld, met daarbij wel degelijk de herhaaldelijke mededeling dat deze personen als verdáchte voor die feiten vervolgd zouden gaan worden. Daarbij is ook gewezen op de onschuldpresumptie. De uitlatingen tijdens alle persmomenten werden gedaan door hoge vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie en het JIT. De rechtbank is het eens met de verdediging van verdachte Pulatov dat het vereiste van de onschuldpresumptie in artikel 6, tweede lid, EVRM zich niet alleen richt tot de rechtbank, maar ook tot andere publieke autoriteiten, waaronder het Openbaar Ministerie en het JIT. De rechtbank is echter van oordeel dat in het midden kan blijven of de uitlatingen die tijdens de persconferenties zijn gedaan door hoge vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie en het JIT een schending van de onschuldpresumptie uit artikel 6, tweede lid, EVRM opleveren. Immers, zelfs als dit het geval zou zijn betekent dat niet dat daarmee ook het in artikel 6, eerste lid, EVRM neergelegde recht op een eerlijke procedure is geschonden. Daarvoor zou immers nodig zijn dat de behandelend rechters in deze zaak (en alle andere rechters die in potentie deze strafzaak zouden kunnen behandelen) zodanig zijn beïnvloed door deze uitlatingen dat zij niet meer onbevooroordeeld een beslissing in deze zaak zouden kunnen nemen. Nog los van het feit dat deze lat door het EHRM voor een college dat is samengesteld uit alleen beroepsrechters zeer hoog wordt gelegd en een dergelijke beïnvloeding in de praktijk, voor zover de rechtbank ziet, voor beroepsrechters ook nimmer door het EHRM is aangenomen, was deze rechtbank zich van meet af aan bewust van hetgeen in de media in brede zin allemaal al was geuit voorafgaand aan de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting. Daarvan heeft de rechtbank bij haar introductie op de eerste zittingsdag ook nadrukkelijk melding gemaakt. Gedurende het proces heeft de verdediging van verdachte Pulatov herhaaldelijk gewezen op en gewaarschuwd voor alle berichtgeving in de media, zodat alleen al hierom mag worden aangenomen dat de rechtbank zich daarvan ook bij voortduring bewust is geweest. De rechtbank heeft zich van deze media aandacht afzijdig gehouden. Van een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid van de rechtbank is daarom geen sprake, laat staan dat daarvoor door de verdediging van verdachte Pulatov concrete omstandigheden zijn aangevoerd waaruit dit zou moeten blijken. Bovendien kan de eventuele conclusie dat de rechtbank vooringenomen zou zijn geweest hooguit pas achteraf (door een ander rechtscollege) worden getrokken, waarbij tevens de gang van zaken tijdens de terechtzitting, de bewijsconstructie, de motivering daarvan en de uitkomst van deze strafzaak moeten worden betrokken. Een eventuele schending door het Openbaar Ministerie en het JIT van artikel 6, tweede lid, EVRM haalt dan ook niet de drempel van een niet-ontvankelijkverklaring wegens schending van artikel 6, eerste lid, EVRM. Het voorgaande geldt eveneens voor uitlatingen in de pers of elders van andere hoge publieke functionarissen. Met de verdediging van verdachte Pulatov is de rechtbank van oordeel dat onder meer leden van de Tweede Kamer en de minister-president zich in vrij stellige en ongenuanceerde bewoordingen hebben uitgelaten over de oorzaken van het lot dat MH17 heeft ondergaan. Echter, die uitlatingen – voor zover die al betrekking hadden op of raken aan (de verdachten
- in)deze strafzaak – kunnen niet voor rekening en risico van het Openbaar Ministerie worden gebracht en hebben, net zomin als die van het Openbaar Ministerie en het JIT, bijgedragen aan of invloed gehad op het oordeel van de rechtbank in de behandeling en de uitkomst van deze strafzaak. In het verlengde hiervan merkt de rechtbank over dit punt nog op dat de stelling van de verdediging van verdachte Pulatov dat ook het Rechtsbijstandsteam zonder enige kritische noot het JIT-scenario heeft gevolgd en daarmee weinig oog had voor de onschuldpresumptie bezwaarlijk aan het Rechtsbijstandsteam kan worden verweten. Dit betrof immers de toelichting die het Rechtsbijstandsteam heeft gegeven op de door de nabestaanden ingediende vorderingen benadeelde partij en die komen alleen voor toewijzing in aanmerking als het tenlastegelegde bewezen kan worden. Van de nabestaanden kan niet verwacht worden dat zij eigen onderzoek doen naar de feiten waaraan hun vorderingen zijn gekoppeld, zodat het niet meer dan logisch is dat zij uitgaan van een bewezenverklaring van hetgeen ten laste is gelegd. Het spreekt voor zich dat ook dit door het Rechtsbijstandsteam ingenomen standpunt de rechtbank niet op voorhand op gedachten heeft gebracht over een bewezenverklaring. Het tijdens een wereldwijd te volgen persconferentie mededelen van de volledige namen en andere persoonsgegevens van de verdachten, in combinatie met het tonen van hun foto, is een wijze van informatievoorziening die verder gaat dan in een reguliere strafzaak gebruikelijk is. Wat er ook zij van eventuele beïnvloeding van het grotere publiek daardoor en de impact die dat (wellicht) heeft op het persoonlijke leven van de verdachte(n), dat zijn evenmin factoren die tot beïnvloeding van de rechtbank hebben geleid, ook niet bezien in combinatie met de hiervoor genoemde uitlatingen van het Openbaar Ministerie en het JIT over de beweerde feitelijkheden rondom het neerstorten van vlucht MH17. Naast de hierboven al genoemde argumenten speelt hierbij ook een rol dat in iedere strafzaak de rechtbank voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting op de hoogte is van de identiteit van de te vervolgen verdachten. Dat gebeurt telkens al vóór aanvang van het onderzoek ter terechtzitting, waarbij de rechtbank bovendien zelfs verder wordt geïnformeerd over de identiteit, persoonlijke gegevens van en persoonlijke informatie over de verdachte(
- n)dan het publiek bij de persconferentie is geïnformeerd. Zij ontvangt immers het procesdossier waarin dergelijke persoonlijke gegevens zijn opgenomen. De rechtbank is dus nog uitgebreider en breder geïnformeerd over verdachte(
- n)dan het algemene publiek. De professionele rechters worden door deze informatieverstrekking op geen enkele wijze op voorhand gestuurd in hun oordeelsvorming. Het feit dat deze informatie in het onderhavige geval publiekelijk via een persconferentie ook met het publiek is gedeeld heeft dan ook geen enkele invloed gehad op de rechtbank, laat staan ertoe geleid dat de rechtbank op voorhand reeds een standpunt zou hebben ingenomen over wat met vlucht MH17 zou zijn gebeurd en over betrokkenheid daarbij of zelfs over schuld of onschuld van deze specifieke verdachten. In de wijze waarop de rechtbank het gehele onderzoek ter terechtzitting heeft ingekleed, vorm heeft gegeven en afgerond kan geen aanwijzing worden gevonden dat zij wél reeds een dergelijk standpunt had ingenomen. Het voorgaande laat echter onverlet dat naar het oordeel van de rechtbank de door het Openbaar Ministerie en het JIT gekozen wijze van communiceren over het lot van vlucht MH17 en de bekendmaking van de verdachten in deze strafzaak wel te denken geven. Hoewel die wijze van communiceren en die bekendmakingen niet van invloed zijn geweest op de objectiviteit van de rechtbank hebben die volgens de rechtbank wel degelijk bijgedragen aan de vorming van de publieke opinie over deze strafzaak. Dat heeft mede te maken met de grote onderlinge verwevenheid in deze zaak van de uitlatingen over wat feitelijk met vlucht MH17 zou zijn gebeurd en de formulering van de verdenking die de verdachten daarvan wordt gemaakt. Daarom ook is het in de persconferenties daarbij noemen van persoonlijke gegevens van de verdachten en het tonen van hun afbeeldingen al snel te beschouwen als een (potentiële) inbreuk op het door artikel 8 EVRM beschermde recht op privacy. Een dergelijke inbreuk is weliswaar toegestaan als dat is voorzien bij wet en noodzakelijk is in een democratische samenleving. Maar de uitleg die het Openbaar Ministerie daarover heeft gegeven is er niet per se één die aanstonds overtuigt van die vereiste noodzakelijkheid en de daarbij in acht te nemen proportionaliteit en subsidiariteit. Het informeren van het algemeen publiek en nabestaanden over een voorgenomen vervolging acht ook het EHRM op zichzelf een belangrijk en te rechtvaardigen doel. De rechtbank ziet dit belang zeker in een zaak van een omvang en met een (maatschappelijke) impact als die van vlucht MH17. Volgens de rechtbank valt echter niet direct in te zien dat deze informatievoorziening niet anders kon dan via ogenschijnlijk zorgvuldig gekozen persmomenten, die wereldwijd te volgen waren en waarin niet alleen zeer stellige uitspraken zijn gedaan door hoge opsporings- en vervolgingsautoriteiten over met wat zekerheid was gebeurd met vlucht MH17, maar waarbij ook persoonsgegevens en foto’s van de verdachten zijn getoond. Het recht van met name nabestaanden om op de hoogte gesteld te worden van de resultaten van het onderzoek, de redenen voor het plegen van de vermoede misdrijven, de omstandigheden waaronder die zijn gepleegd, maar ook van de identiteit van de vermoede daders is ontegenzeglijk. Echter, het Openbaar Ministerie was gedurende de hele fase van het voorbereidende onderzoek in staat buiten de pers om en rechtstreeks te communiceren met de nabestaanden en hen op de hoogte te houden van de stand van zaken. Waarom dat dan bij het bekend maken van de vervolging niet (meer) zou kunnen of niet de voorkeur zou hebben, maar het nodig was om hen daarover allemaal tegelijk te informeren, ontgaat de rechtbank. Daarnaast valt niet in te zien dat voor de informatievoorziening aan het grote(
- re)publiek het noemen van de namen en overige gegevens van de verdachten noodzakelijk was, laat staan het tonen van hun foto’s. De boodschap aan het grote publiek was immers, en hoefde in dat stadium alleen maar te zijn, dat er verdachten vervolgd gingen worden. Daarbij had kunnen worden volstaan met minder informatie, zoals het aantal verdachten en eventueel hun nationaliteit. De overige gegevens hadden voor de informatievoorziening aan het algemene publiek geen toegevoegde waarde, ook al werden die zoals gezegd, anders dan de verdediging van verdachte Pulatov heeft aangevoerd, wel degelijk bij herhaling expliciet aangemerkt als verdachte en niet als dader, met de nodige voorbehouden van dien. De nadere informatie over de verdachten had wel toegevoegde waarde voor de nabestaanden, maar die hadden ook op andere wijze daarover geïnformeerd kunnen worden. Tegelijkertijd constateert de rechtbank echter ook dat drie van de vier verdachten geen bezwaar hebben gemaakt tegen deze gang van zaken, laat staan dat ze hebben aangegeven in welk concreet belang ze zouden zijn geschaad. Ook constateert de rechtbank dat min of meer gelijktijdig met het bekendmaken van de vervolging de betreffende verdachten, zoals voor de hand liggend in deze zaak, ook internationaal zijn gesignaleerd en daarmee op opsporingslijsten zijn geplaatst met de gebruikelijke foto en persoonlijke gegevens. Een simpele zoekslag op internet levert direct de namen en foto’s van de vier huidige verdachten op. Vanwege de grote publieke belangstelling en de actieve opstelling van de pers in deze zaak zou deze zoekslag al snel via die weg tot het bekend worden van de verdachten en hun gegevens hebben geleid. De uiteindelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte(
- n)als direct gevolg van enkel de actieve en vergaande informatievoorziening van het JIT en het Openbaar Ministerie tijdens de bedoelde persconferentie is daarmee naar het oordeel van de rechtbank dus beperkt. Nu die inbreuk geen gevolgen heeft gehad voor de eerlijkheid van het proces in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM en bovendien de gevolgen voor de persoonlijke levenssfeer van verdachte(
- n)niet het gevolg zijn van alleen deze vormfout kan de vormfout niet leiden tot niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie. Wel zal de rechtbank op dit punt, indien zij daaraan toekomt, bij de strafmaatoverwegingen terug komen. Dat oordeel met betrekking tot de ontvankelijkheid wordt ook niet anders door het interview in NRC Handelsblad met de leider van het team van officieren van justitie dat de ramp met vlucht MH17 onderzoekt, dat enkele dagen na het uitspreken van het requisitoir verscheen. Weliswaar bevat ook dat interview zeer stellige en zelfs als ongenuanceerd te typeren uitlatingen van die teamleider die nota bene buiten het bestek van de zitting om zijn gedaan in een nog lopende strafzaak, maar ze vormen in de kern genomen ook niet meer dan een herhaling van het kort daarvoor afgeronde requisitoir van het Openbaar Ministerie dat integraal via de livestream was te volgen en na te zien. Die herhaalde uitlatingen op dat moment in een kranteninterview zullen naar het oordeel van de rechtbank dan ook weinig effect hebben gehad op de publieke opinie dat niet ook al was bereikt door het requisitoir. Anders ligt dat naar het oordeel van de rechtbank wat betreft de door het Openbaar Ministerie op 18 mei 2022 op het internet gelanceerde ‘applicatie’. Deze applicatie, met titel ‘Het strafdossier MH17’“biedt nabestaanden en het bredere publiek nadere en toegankelijke informatie uit het dossier.” “In deze publicatie kunt u lezen, horen en zien welke bewijzen er onder meer in het strafdossier zitten.”, zo valt op de betreffende website te lezen. De rechtbank heeft ter terechtzitting al haar verbazing geuit over het lanceren van deze applicatie, vanwege het moment en de wijze waarop deze online is gezet. Daar voegt de rechtbank in het kader van de bespreking van de voorvragen nog het volgende aan toe. De applicatie is door de wijze van opzet en vormgeving geen spontaan instrument, maar één dat veel tijd, moeite en voorbereiding heeft gekost. Het lanceren daarvan is dan ook een geplande actie van het Openbaar Ministerie geweest, waarbij het niet anders kan dan dat het moment waarop deze is gelanceerd zorgvuldig is uitgekozen. Het op deze geplande wijze mede aan de hand van stukken uit het dossier delen met een breed publiek van inhoud van het procesdossier dat nog ter beoordeling onder de rechter is (en daarom ook ‘eigendom’ van de rechtbank en niet langer van het Openbaar Ministerie), is alleen al om die redenen in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Niemand anders dan de rechter aan wiens oordeel de zaak is voorgelegd kan en mag over het verspreiden of delen van het dossier op welke wijze dan ook beslissen. Het Openbaar Ministerie moet dit weten en daarom kan niet anders dan worden geconcludeerd dat het bewust heeft gehandeld in strijd met dat uitgangspunt. Dit temeer nu de rechtbank nog geen twee uur voordat deze applicatie online werd gezet een tot op dat moment bestaande beperking tot kennisneming voor nota bene de nabestaanden die als procespartij gelden had opgeheven, maar nog steeds onder de expliciete voorwaarde dat de stukken enkel mogen worden gebruikt voor het strafvorderlijk doel waarvoor zij zijn bestemd. De applicatie zelf, maar vooral ook het moment van lancering en het opnemen van inhoudelijke stukken daarin is in dat licht daarom te typeren als het met voeten treden van een uitdrukkelijke beslissing van de rechtbank. Voorts bevat de applicatie geen enkele nuance of maar enige verwijzing naar de uitgebreide verweren en standpunten die door de verdediging van verdachte Pulatov zijn ingenomen over onder meer de bruikbaarheid en de bewijswaarde van ook in de applicatie opgenomen stukken. De applicatie heeft niets te maken met de op het Openbaar Ministerie rustende plicht om het publiek in het algemeen en de slachtoffers en nabestaanden in het bijzonder te informeren. Dat was immers al uitvoerig tijdens het daarvoor aangewezen moment van requisitoir gebeurd. De rechtbank kan dan ook niet anders dan deze applicatie zien als een ongenuanceerde poging van het Openbaar Ministerie om – ook buiten de zitting om – de wereld te overtuigen van zijn gelijk. De rechtbank is van oordeel dat het Openbaar Ministerie zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met de publicatie van deze applicatie enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn, laat staan dat die beslissing het resultaat is van een redelijke en billijke belangenafweging. Het is onnodig en doet ernstig af aan het magistratelijke optreden dat van het Openbaar Ministerie mag en moet worden verwacht. Het Openbaar Ministerie heeft er ook niet voor gekozen om ter terechtzitting in het openbaar verantwoording af te leggen over het waarom van deze applicatie. In een zeer kort e-mailbericht aan de verdediging van verdachte Pulatov, die terecht om toelichting en uitleg vroeg, heeft het Openbaar Ministerie enkel aangegeven geen redenen te zien om terug te komen op zijn beslissing om de applicatie te lanceren. De rechtbank oordeelt dan ook dat de lancering van deze applicatie in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Hoewel de rechtbank bijzonder ontstemd is door dit optreden van het Openbaar Ministerie, waarin het ook thans nog persisteert door de applicatie te handhaven, heeft de rechtbank dit niet in de weg laten staan aan haar onbevangen en onbevooroordeelde blik op en oordeel over het dossier en de verdenkingen en heeft het evenmin de verdediging belemmerd in het voeren van verweer in de strafprocedure. Reeds daarom haalt deze vormfout niet de grens van de onherstelbare inbreuk op het recht van verdachte(
- n)op een eerlijk proces en kan dan ook niet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie. Wel zal de rechtbank hierop, indien zij daaraan toekomt, bij de strafmaatoverwegingen terug komen. Op deze plaats in dit vonnis volstaat de conclusie dat in de openbaarmakingen van onder andere het Openbaar Ministerie geen grond gelegen is voor een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in zijn vervolging. ‘Rauwelijks dagvaarden’ De verdediging van verdachte Pulatov heeft, samengevat, aangevoerd dat verdachte Pulatov geen eerlijk proces heeft gehad omdat hij zonder eerst van een verdenking tegen hem op de hoogte te zijn gesteld, direct door het Openbaar Ministerie is gedagvaard. De verdediging noemt dat het ‘rauwelijks dagvaarden’, het Openbaar Ministerie spreekt over de timing van het dagvaarden. Met beide wordt echter hetzelfde bedoeld, namelijk dagvaarding zonder voorafgaande kennisgeving van het bestaan van een verdenking. Niet ter discussie staat dat voor elk van de verdachten in deze strafzaak een proces-verbaal verdenking is opgemaakt dat dateert van lang vóór het moment waarop zij voor het eerst hadden kunnen vernemen dat zij als verdachte waren aangemerkt, namelijk door het volgen van de hierboven genoemde persconferentie van 19 juni 2019 of door het lezen van berichtgeving van het Openbaar Ministerie daarover zeer kort vóór aanvang en na afloop van die persconferentie via aan hen toegeschreven social media accounts en/of telefoonnummers. Daar(
- in)werden voor het eerst de concrete verdenkingen jegens de verdachten geuit, werd hun dagvaarding aangekondigd en werden zij uitgenodigd op de verdenkingen te reageren. Formeel zijn de verdachten echter pas later in 2019 gedagvaard door toezending van die dagvaarding aan hun respectieve nationale autoriteiten, met het verzoek die dagvaarding uit te reiken en het verzoek de verdachten te horen naar aanleiding van de daarin opgenomen verdenkingen. Dat is het formele moment waarop zij van de verdenking tegen hen op de hoogte zijn geraakt. De verdediging van verdachte Pulatov heeft betoogd dat door deze vrij ongebruikelijke wijze van dagvaarden verdachte niet is gehoord in een fase van het voorbereidende onderzoek waarin zijn standpunt van invloed kon zijn op de beslissing om al of niet tot dagvaarding over te gaan en verdachte daardoor geen tegenonderzoek heeft kunnen laten verrichten in de beslotenheid van het kabinet van de rechter-commissaris, anders dan te doen gebruikelijk. Daarnaast gold daardoor ten nadele van verdachte een ander toetsingskader voor onderzoekswensen dan bij onderzoek door de rechter-commissaris het geval zou zijn geweest en is hem hierdoor langer dan nodig kennisneming van het dossier onthouden. Omdat verdachte hierdoor bewust lange tijd buiten spel is gezet en gehouden is het beginsel van equality of arms geschonden en heeft verdachte Pulatov geen eerlijke procedure genoten. In elk geval zijn de beginselen van een behoorlijke procesorde zodanig geschonden dat dit tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging moet leiden. De rechtbank stelt voorop – zoals de verdediging van verdachte Pulatov ook zelf heeft betoogd – dat het ‘rauwelijks dagvaarden’ een bevoegdheid is waarvan het Openbaar Ministerie vanwege zijn vervolgingsopportuniteit gebruik kan maken en dat deze wijze van dagvaarden niet wordt ‘verboden’ of bedreigd wordt met een sanctie door het Wetboek van Strafvordering. De beslissing om te gaan vervolgen en hoe is een discretionaire en leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. Gelet op de concrete verdenkingen die voorliggen is duidelijk dat het Openbaar Ministerie niet in strijd heeft gehandeld met enige eigen richtlijn of beleidslijn; dagvaarding bij verdenking van artikel 168 Sr en de artikelen 287 en 289 Sr is immers de regel. Ook zijn door het Openbaar Ministerie voorafgaand aan de dagvaarding geen toezeggingen gedaan over eerst door de verdediging te verrichten onderzoek. Van schending van het vertrouwensbeginsel is daarom, anders dan in de door de verdediging van verdachte Pulatov genoemde voorbeelden, geen sprake. Dat laat onverlet dat de wijze van dagvaarden in de context van de gehele opsporing en vervolging onder omstandigheden een vormgebrek zou kunnen opleveren, waaraan ingevolge artikel 359a Sv door de rechter rechtsgevolgen kunnen worden verbonden. Door de verdediging van verdachte Pulatov is aangevoerd dat het Openbaar Ministerie bewust ‘rauwelijks’ heeft gedagvaard, louter met als doel om de verdachten(
- n)te beperken in zijn (hun) verdedigingsmogelijkheden en om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Op de gevolgen van het ‘rauwelijks dagvaarden’ voor de verdedigingsmogelijkheden en op de beweegredenen van het Openbaar Ministerie om hiertoe te besluiten gaat de rechtbank hierna verder in, maar de rechtbank stelt onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen voorop dat zij deze wijze van dagvaarden als zodanig niet ziet als een vormgebrek. Het is juist dat de verdachte door het op deze wijze dagvaarden voorafgaand aan het openbare onderzoek ter terechtzitting geen (eigen) onderzoek in de relatieve beslotenheid van het kabinet rechter-commissaris heeft kunnen laten verrichten. De verdediging van verdachte Pulatov heeft terecht gesteld dat het komen tot een meer evenwichtig en volledig onderzoek juist een doel was dat de wetgever wilde bereiken met de invoering van de Wet versterking positie rechter-commissaris. Daarmee beoogde de wetgever met name een grotere betrokkenheid van een rechter in het voorbereidende onderzoek met het oog op checks and balances vanwege vaak tegengestelde belangen tussen procesdeelnemers. De invoering van deze wet heeft echter niet de zittingsrechter de mogelijkheid ontnomen om aanvullend onderzoek te (laten) verrichten en op die wijze checks and balances te garanderen. Dat is in casu ook het geval geweest. De verdediging van verdachte Pulatov heeft van de rechtbank de gelegenheid gekregen en ten volle aangegrepen, om naar aanleiding van de resultaten van het opsporingsonderzoek onderzoekswensen voor te leggen aan de rechtbank om zo tegen de resultaten van dat opsporingsonderzoek in te kunnen brengen wat zij dienstig achtte voor haar verdediging. De rechtbank heeft de verdediging van verdachte Pulatov daarvoor alle ruimte geboden en ruime termijnen gesteld voor het indienen van die onderzoekswensen. Anders dan door de verdediging van verdachte Pulatov is betoogd is door de rechtbank bij de beoordeling van de ingediende onderzoekswensen geen ander criterium gehanteerd dan waarvan sprake zou zijn geweest indien dit onderzoek onder leiding van de rechter-commissaris zou hebben plaatsgevonden ex artikel 182 Sv. De rechtbank heeft namelijk al vóór aanvang van het onderzoek ter terechtzitting en na overleg met de verdediging van verdachte Pulatov en het Openbaar Ministerie expliciet bepaald dat de verdediging pas in het zittingsblok van juni 2020 verzoeken tot nader onderzoek zou hoeven te doen, welke verzoeken de rechtbank dan weliswaar zou toetsen op de noodzakelijkheid ervan, maar zodanig dat de uitkomst van die toetsing niet wezenlijk zou verschillen van wat met toepassing van het zogenaamde verdedigingsbelang zou worden bereikt. Daarbij heeft de rechtbank nadrukkelijk gewezen op het beginsel van equality of arms, dat onderdeel uitmaakt van het recht op een eerlijke procedure. In juni 2020 heeft de verdediging van verdachte Pulatov een eerste deel van haar onderzoekswensen ingediend. Vanwege het uitbreken van corona en daardoor plots opgetreden beperkingen in de communicatie met haar cliënt heeft de rechtbank de verdediging toegestaan verdere onderzoekswensen later in te dienen. In haar tussenbeslissing van 3 juli 2020 heeft de rechtbank op een deel van de ingediende onderzoekswensen beslist conform het aangegeven criterium en verder de beslissing op een groot deel daarvan aangehouden omdat, kort gezegd, voor de beoordeling daarvan het standpunt van de verdachte Pulatov en inzicht in de nog in te dienen overige onderzoekswensen en de motivering daarvan van belang werden geacht. Verdachte Pulatov had zich op dat moment nog niet uitgelaten over zijn procespositie. Die overige verzoeken konden, afhankelijk van daarvoor al dan niet benodigd overleg met verdachte Pulatov, in september respectievelijk november 2020 worden ingediend, aldus de beslissing van de rechtbank. Vanwege de door de verdediging van verdachte Pulatov benoemde noodzaak om verzoeken en onderzoekswensen aan te passen en aan te vullen naar aanleiding van gesprekken met en input van verdachte Pulatov heeft de rechtbank de verdediging in september 2020 nog meer tijd gegund dan eerder toegezegd en zijn uiteindelijk pas op de zitting in november 2020 de resterende onderzoekswensen ingediend. Daarop, en op de eerder aangehouden verzoeken, heeft de rechtbank op 25 november 2020 beslist, waarbij zij heeft toegelicht dat bij de beoordeling van die verzoeken de relevantie daarvan de boventoon voerde, en niet het volgens de jurisprudentie op dat moment gebruikelijke tijdstip van indienen van de verzoeken. Die (voor de verdediging gunstiger) wijze van beoordeling is in lijn met het door het EHRM gehanteerde criterium in het enige maanden later gewezen arrest in de zogenaamde Keskin zaak. Ook op dit punt is de verdachte dus niet in enig belang geschaad. Dit betekent dat, zoals ook al hiervoor aangegeven, tijdens het onderzoek ter terechtzitting sprake is geweest van een lange regieperiode waarin de verdediging van verdachte Pulatov uitgebreid gebruik heeft gemaakt van haar verdedigingsrechten en waarbij de standpunten van de verdediging ruimschoots voor het voetlicht konden en ook zijn gebracht. Het niet betrokken zijn bij het vooronderzoek was dus hooguit minder praktisch, maar kan, gelet op de uitgebreide en nog verlengde regiefase die de rechtbank heeft aangehouden en waarin de verdediging van verdachte Pulatov in volledigheid haar onderzoekswensen aan de rechter heeft kunnen voorleggen zoals dat ook het geval zou zijn geweest bij de rechter-commissaris, bezwaarlijk als een vormgebrek worden aangemerkt waardoor verdachte in zijn verdedigingsrechten is geraakt. Ook de mogelijkheid om preliminaire verweren te voeren is door de rechtbank verlengd tot de eerste dag van het zittingsblok in juni 2020. De verdediging van verdachte Pulatov heeft daarvan uiteindelijk echter geen gebruik gemaakt en op die zittingsdag aangegeven dat zij had besloten een eventueel preliminair verweer inzake combattantenimmuniteit op dat moment niet te voeren, maar dat verweer eventueel wel later te zullen voeren. Daarmee heeft de verdediging expliciet afgezien van het voeren van preliminaire verweren. De rechtbank constateert dat uiteindelijk bij pleidooi vele verweren met een potentieel preliminair karakter zijn gevoerd, waarop de rechtbank in dit vonnis in het kader van de voorvragen reageert. Ook in dat opzicht is de verdediging van verdachte Pulatov dus in geen enkel belang geschaad. Daarnaast ziet de rechtbank niet in hoe verdachte Pulatov zou zijn benadeeld door zijn onderzoekswensen op de openbare zitting te (moeten) doen in plaats van in de beslotenheid van het kabinet rechter-commissaris. De hoeveelheid onderzoekswensen, het ruimhartige gebruik van de mogelijkheid tot het indienen daarvan tot aan dupliek toe en de wijze van toelichting op die wensen getuigen niet van enige ervaren beperking in dat opzicht aan de zijde van de verdediging van verdachte Pulatov. Het toelichten van de onderzoekswensen ter zitting heeft de verdediging bovendien in staat gesteld haar standpunten ook onder de aandacht van het publiek te brengen. Daarnaast had het de verdediging vrijgestaan om (al op de eerste zittingsdag) te vragen om een open verwijzing naar de rechter-commissaris om nog in te dienen onderzoekswensen te beoordelen, dan wel om de rechtbank te verzoeken het onderzoek ter terechtzitting, in elk geval in die fase vanwege de daardoor volgens de verdediging te beschermen belangen, achter gesloten deuren te laten plaatsvinden. Ook had de verdediging van verdachte Pulatov opmerkingen kunnen maken over het gebruik van de livestream in die fase van de zitting. Dat alles heeft de verdediging echter niet gedaan. De verdediging van verdachte Pulatov heeft zich er tevens over beklaagd dat verdachte pas ná dagvaarding is uitgenodigd voor een verhoor. Dat geldt overigens voor alle verdachten. De rechtbank stelt vast dat een rechtshulpverzoek aan de Russische Federatie om de verdachten al vóór dagvaarding te horen niet is gedaan door het Openbaar Ministerie. Zijn argument daarvoor, namelijk dat gelet op eerdere uitlatingen van en reacties op rechtshulpverzoeken door de Russische autoriteiten de kans op een tijdige uitvoering van een verhoorverzoek op voorhand al bijzonder klein was, overtuigt de rechtbank niet dat het daarom niet zinvol was voor het Openbaar Ministerie om de nodige inspanningen te verrichten om een degelijk verhoor te bewerkstelligen. Temeer omdat aan een dergelijk verzoek dat ná dagvaarding werd gedaan met betrekking tot verdachte Pulatov gewoon uitvoering is gegeven. Daarmee hebben de verdachten niet de gelegenheid gehad om al vóór dagvaarding hun visie te geven op de verdenkingen die tegen hen zijn geuit en op het materiaal dat het Openbaar Ministerie had verzameld ter onderbouwing daarvan. Aldus konden de verdachten de officier van justitie er niet van overtuigen dat een dagvaarding achterwege zou moeten blijven. Op deze wijze kan het recht om niet (verder) in een strafrechtelijke procedure betrokken te geraken in het geding komen. De rechtbank constateert tegelijkertijd ook dat behalve verdachte Pulatov de verdachten zich over dit punt niet hebben uitgelaten, en dus geen belang hebben gesteld waarin zij zouden zijn getroffen. Verdachte Pulatov heeft eerst op 13 november 2020 geklaagd over het feit dat hij zonder uitnodiging voor verhoor ‘rauwelijks’ is gedagvaard, maar dit argument is toen enkel aangevoerd in het kader van het toe te passen beoordelingscriterium voor onderzoekswensen en niet met de conclusie dat verdachte door het ‘rauwelijks dagvaarden’ een openbare strafzaak tegen hem niet heeft kunnen voorkomen. Pas bij pleidooi is die conclusie aan het niet eerder horen verbonden. Dat staat de verdediging van verdachte Pulatov uiteraard vrij, maar het is in het licht van de stelling dat verdachte daardoor ten onrechte aan een openbare behandeling van een strafzaak is blootgesteld terwijl hem een zeer ernstig verwijt wordt gemaakt, ook bevreemdend. Voorkomen is immers beter dan genezen. Het argument van de verdediging van verdachte Pulatov dat klagen zinloos was omdat na de dagbepaling door de voorzitter en na het ‘rauwelijks dagvaarden’ de mogelijkheid om niet te gaan dagvaarden strikt theoretisch was, is niet juist. Immers, het gestelde verdedigingsbelang bij het doen van vooronderzoek had door de verdediging kunnen worden aangevoerd in een verzoek aan de officier van justitie tot intrekking van de dagvaarding. Louter stellen dat deze mogelijkheid toch geen zin had zonder deze te benutten is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de juistheid van het eigen standpunt dat ernstig nadeel is geleden als gevolg van het optreden van het Openbaar Ministerie te onderbouwen. Het feit dat de voorzitter van de rechtbank op verzoek van de officier van justitie reeds een dag voor aanvang van het onderzoek ter terechtzitting had bepaald doet evenmin aan die mogelijkheid af. Immers, een dagvaarding vermeldt vanwege de gecombineerde oproepings- en tenlasteleggingsfunctie tevens de dag van aanvang van het onderzoek ter terechtzitting. Voordat een dagvaarding kan worden uitgebracht zal deze dag dan ook moeten zijn bepaald. Om die reden kan dus pas om intrekking van een dagvaarding worden verzocht indien een dagbepaling heeft plaatsgevonden. Daarnaast constateert de rechtbank dat verdachte Pulatov wel in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord vóórdat het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen. Bij dat verhoor, dat geschiedde onder leiding van de bevoegde autoriteiten van de Russische Federatie, heeft verdachte Pulatov echter in aanwezigheid van zijn Russische advocate en op advies van zijn Nederlandse advocaten die hem toen al bijstonden, nadrukkelijk verklaard zich op zijn zwijgrecht te beroepen. Wel gaf verdachte Pulatov aan dat hij wilde verklaren ten behoeve van een Nederlandse rechter. De wijze waarop dat zou kunnen zonder dat verdachte Pulatov het (overigens rechtens niet te respecteren belang van het) gevaar zou lopen in voorlopige hechtenis te worden genomen is op zitting meermalen en uitgebreid aan de orde gesteld. Desondanks heeft verdachte Pulatov nimmer van de gelegenheid gebruik gemaakt om door een Nederlandse rechter te worden gehoord. De verdediging van verdachte Pulatov had, tot slot, ook, zoals hierboven al aangestipt, op dit punt een preliminair verweer kunnen voeren, bij het slagen waarvan het wellicht niet tot een verdere openbare behandeling van de strafzaak tegen haar cliënt was gekomen. Geconstateerd moet dan ook worden dat verdachte Pulatov van de aangegeven mogelijkheden geen gebruik heeft gemaakt. Dat is zijn eigen keuze geweest en komt niet voor rekening van het Openbaar Ministerie. Verdachte Pulatov zelf heeft bewust ervoor gekozen, net als de andere verdachten, om niet ter terechtzitting te verschijnen en daar in te brengen tegen de verdenkingen wat hij daartegen in wilde brengen, noch heeft hij gebruik gemaakt van de aan hem voorgehouden mogelijkheid om te worden gehoord door de rechter-commissaris. De rechtbank concludeert dat verdachte zelf meerdere mogelijkheden om reeds vroeg in het proces zijn kant van het verhaal op een grondige wijze over te brengen en daarmee zijn verklaring mee te kunnen laten wegen bij de vraag of het proces tegen hem moet worden voortgezet heeft laten liggen. Daarnaast kan de rechtbank niet anders dan constateren dat, nadat verdachte Pulatov op de door hem gekozen wijze zijn kant van het verhaal heeft verteld, en nadat op basis hiervan nog nader onderzoek is verricht, het Openbaar Ministerie alsnog een levenslange gevangenisstraf heeft geëist, zodat het niet aannemelijk is dat indien hij zou zijn uitgenodigd voor verhoor voorafgaand aan de dagvaarding en hij reeds toen zijn verhaal zou hebben verteld, dit het Openbaar Ministerie ertoe zou hebben bewogen af te zien van vervolging en dagvaarding. Dit alles bij elkaar genomen leidt de rechtbank tot de conclusie dat onder die omstandigheden niet gesproken kan worden van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv waardoor verdachte in zijn verdediging zou zijn benadeeld of geen eerlijk proces meer zou kunnen krijgen. Tot slot bespreekt de rechtbank het argument van de verdediging van verdachte Pulatov dat verdachte als gevolg van het ‘rauwelijks dagvaarden’ langer dan nodig kennisneming van processtukken is onthouden. De rechtbank constateert dat het Openbaar Ministerie dat punt wel heeft benoemd in repliek, maar daarop niet heeft gereageerd. Tussen de regels van de standpunten van het Openbaar Ministerie door zou gelezen kunnen worden dat het niet (vroeg)tijdig verstrekken van dossierstukken niet zozeer gevolg was van, maar veeleer een reden was voor het ‘rauwelijks dagvaarden’. Wat daar ook van zij, geconstateerd kan worden dat de verdediging van verdachte Pulatov nadat zij zich had gesteld in hetzelfde tempo het procesdossier heeft ontvangen als de rechtbank. Van enige belemmering van het kennisnemen van processtukken als bedoeld in artikel 30 Sv is daarmee naar de letter van de wet geen sprake. Immers, de stukken zijn op verzoek verstrekt aan de verdediging van verdachte Pulatov toen het verdachte Pulatov duidelijk was dat er een verdenking tegen hem lag, en van bezwaar tegen onthouding van processtukken is geen sprake geweest. Die stukken hebben aan de basis gelegen van het onderzoek ter terechtzitting en de inbreng die de verdediging daarin heeft gehad. Daarvoor heeft de verdediging van verdachte Pulatov, als aangegeven, ruim de tijd en de gelegenheid gekregen. Van enig daaruit voortvloeiend nadeel is de rechtbank dan ook niet gebleken. De rechtbank concludeert, al het voorgaande tezamen gewogen, dat niet is gebleken dat het Openbaar Ministerie door ‘rauwelijks’ te dagvaarden en in redelijkheid daarbij alle belangen af te wegen niet tot deze keuze had kunnen of mogen komen. De eventuele nadelen die voor verdachte(
- n)aan het ‘rauwelijks dagvaarden’ zijn verbonden hadden immers nog voor aanvang van het onderzoek ter terechtzitting aangevochten kunnen worden door verdachte zelf, dan wel zijn ter terechtzitting door de wijze waarop de rechtbank regie heeft gevoerd hersteld. Er is dan ook geen sprake van vormgebreken, dan wel zijn deze gedurende het onderzoek ter terechtzitting hersteld of is het herstel daarvan door keuzes van verdachte en/of de verdediging van verdachte Pulatov gefrustreerd. Onder die omstandigheden concludeert de rechtbank dat geen sprake kan zijn van het verbinden van enige consequentie daaraan, dan wel dat met de loutere constatering daarvan kan worden volstaan. In het ‘rauwelijks dagvaarden’ is dan ook geen grond gelegen om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. 4.4.4.3 Onderzoek en dossier Eenzijdige insteek van het onderzoek en het procesdossier De verdediging van verdachte Pulatov stelt dat het het Openbaar Ministerie heeft ontbroken aan een voortdurend objectieve en kritische blik tijdens het onderzoek naar de toedracht van en de verantwoordelijken voor de ramp met vlucht MH17. Dat heeft ertoe geleid dat het onderzoek en het procesdossier een eenzijdige insteek en inhoud hebben (confirmation bias en tunnelvisie), omdat ze op vooringenomen en sturende wijze zijn uitgevoerd, samengesteld en/of ingericht. Ook zijn bepaalde zaken niet onderzocht of konden niet worden onderzocht. Een proces aan de hand van en op basis van de resultaten van een dergelijk onderzoek voldoet niet aan de standaarden en minimumwaarborgen van een eerlijk proces. Deze vormgebreken moeten tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie leiden, aldus de verdediging van verdachte Pulatov. De rechtbank stelt voorop dat het een gegeven is dat een ramp van een omvang en met een impact als die met vlucht MH17, mede gelet op de plaats waar die gebeurde en de situatie aldaar, van meet af aan kan rekenen op de grote belangstelling en interesse van het brede publiek, de media en de politiek. Zo lang geen duidelijkheid bestaat over wat is gebeurd, waarom en wie daarvoor verantwoordelijk is of zijn te houden zal die belangstelling ook blijven bestaan. Dat is tot op heden ook gebleken. De context en de aard van de ramp leiden onvermijdelijk ook tot betrokkenheid van meerdere (onderzoeks)instanties, uit binnen- en buitenland. Zo is de betrokkenheid van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) bij een incident met een vliegtuig een gegeven. Immers, het is de wettelijk voorgeschreven taak van de OvV om daar onderzoek naar te doen. Dat dat onderzoek kan samenvallen met een strafrechtelijk onderzoek is door de wetgever onderkend. De oorzaak van een vliegramp kan immers ook strafrechtelijke aspecten opleveren en tot een opsporingsonderzoek leiden zoals bedoeld in artikel 132a Sv. De wetgever heeft daarom voorzien in wettelijke regels in geval van een dergelijke samenloop en voor het Openbaar Ministerie en de OvV zijn beleidsregels opgesteld voor nadere afstemming wanneer beide organisaties onderzoek doen naar eenzelfde voorval. In de kern komen die regels er op neer dat het onderzoek door de OvV gescheiden moet plaatsvinden van het opsporingsonderzoek door het Openbaar Ministerie en dat onderzoeksresultaten van de OvV in beginsel niet voor strafrechtelijke en strafvorderlijke doeleinden mogen worden gebruikt, behoudens enkele uitzonderingen. Het is de rechtbank niet gebleken dat niet volgens die regels is gehandeld. Het Openbaar Ministerie heeft zelfstandig onderzoek verricht en voor zover (openbare) onderzoeksresultaten van de OvV in het dossier zijn opgenomen zal de rechtbank die niet voor het bewijs gebruiken, dan wel alleen als dat uitdrukkelijk is toegestaan op grond van de Rijkswet OvV. De rechtbank is immers bekend met de beperkingen die de Rijkswet OvV aan het gebruik van dergelijke informatie in een strafzaak stelt. De rechtbank heeft dat ook zelf al tijdens het onderzoek ter terechtzitting benoemd en die stukken zijn ook niet inhoudelijk besproken bij het voorhouden van het dossier. Voor zover dit voegen al als een vormgebrek zou kunnen worden beschouwd, is dat dan ook hersteld. Tot enig rechtsgevolg zal deze constatering niet leiden. De stelling van de verdediging van verdachte Pulatov dat sprake is van een vormgebrek omdat het Openbaar Ministerie zich heeft laten leiden door uitlatingen van de SBU die direct na het neerstorten van vlucht MH17 zijn gedaan, mist feitelijke grondslag. Het is weliswaar juist dat door of vanuit de SBU mogelijke oorzaken voor de ramp met vlucht MH17 zijn genoemd, maar het feit dát dat is gedaan en/of dat die wisselend qua conclusie waren kan het Openbaar Ministerie geenszins worden tegengeworpen. Dat heeft immers zijn eigen onderzoek verricht en op basis daarvan zijn conclusies getrokken die aan de rechtbank ter beoordeling zijn voorgelegd. Voor zover daarbij gebruik is gemaakt van door of via de SBU ingebracht onderzoeksmateriaal met potentiële bewijswaarde is daarover door het Openbaar Ministerie verantwoording afgelegd. Daarbij heeft het Openbaar Ministerie de bedenkelijke reputatie die de SBU in 2014 volgens bronnen had nadrukkelijk betrokken, hetgeen tot behoedzaamheid, verificatie- en validatieonderzoek heeft geleid. De enkele stelling van de verdediging van verdachte Pulatov dat alleen al het samenwerken met en het in het dossier opnemen van materiaal afkomstig van de SBU met haar naam als opsporingsinstantie die het niet al te nauw neemt met (mensen)rechten en belangenverstrengelingen, een vormgebrek oplevert dat leidt tot een oneerlijke procedure voor verdachte(
- n)en daarom tot niet-ontvankelijkheid moet leiden, kan deze conclusie en het daaraan te verbinden gevolg geenszins dragen. Als deze ruim geformuleerde stelling al juist zou zijn, dan is die volstrekt onvoldoende om de betrouwbaarheid van specifieke bewijsmiddelen al generaliserend te betwisten. Immers, ook informatie uit bedenkelijke bron kan juist en betrouwbaar zijn, maar vergt wel extra behoedzaamheid en onderzoek. En de loutere aanwezigheid van materiaal uit een dergelijke bron in het dossier maakt evenmin dat het onderzoek in zijn geheel niet de basis kan vormen voor een eerlijk proces, zoals de verdediging van verdachte Pulatov stelt. Het is immers geen vaststaand feit dat de betreffende getuigen niet in vrijheid een verklaring konden afleggen, maar op zijn best een (in termen van de verdediging) ‘niet denkbeeldige kans’. Daarnaast betreft het in dit omvangrijke en uit zeer diverse potentiële bewijsmiddelen samengesteld dossier hooguit enkele bewijsmiddelen waarvan de betrouwbaarheid bij gebruik voor het bewijs moet worden vastgesteld en gemotiveerd. Dat zal de rechtbank, indien zij van langs de weg van de SBU ingebracht onderzoeksmateriaal gebruik zal maken, dan ook vanuit een passende behoedzaamheid doen volgens de daarvoor geldende regels. Indien en voor zover het Openbaar Ministerie (voorlopige) bevindingen uit andere bronnen, zoals het onderzoek van de OvV, informatie van (burger)journalisten, en/of door andere(
- n)opgeworpen suggesties over de oorzaak van de ramp met vlucht MH17 heeft gebruikt, is dat, zo heeft de rechtbank vastgesteld, hooguit als startinformatie voor een mogelijke onderzoeksrichting geweest. Dat is op zichzelf al niet verboden of in strijd met enig beginsel van behoorlijke procesorde, maar kan in voorkomende gevallen hooguit bewijs opleveren in de strafzaak als het eigen strafrechtelijke onderzoek in die richting wettig bewijsmateriaal oplevert dat volgens de regels van strafvordering is verkregen. Dat is een vraagpunt dat de rechtbank bij haar bewijsoverwegingen aan de orde stelt ten aanzien van het door haar gebruikte bewijs. Het kan echter geen vormgebreken opleveren waaraan enig gevolg zou moeten worden verbonden. In hetzelfde licht beschouwt de rechtbank de door de verdediging van verdachte Pulatov opgeworpen stellingen over confirmation bias en tunnelvisie. De rechtbank begrijpt dat daarmee wordt gedoeld op het bestaan daarvan bij het Openbaar Ministerie, maar kennelijk ook bij de rechtbank. De onderbouwing van die stellingen is (grotendeels) gelijk aan die van de hiervoor besproken onderdelen van het verweer van de verdediging van verdachte Pulatov in het kader van artikel 6, eerste lid, EVRM. Reeds daarom treffen deze stellingen geen doel. Ook miskennen die stellingen de eigen verantwoordelijkheid van de rechtbank in de wijze waarop zij tot beslissingen komt in de aan haar voorgelegde zaken en die beslissingen onderbouwt. De rechtbank ziet dan ook op dit punt geen vormgebrek dat tot enig rechtsgevolg aanleiding geeft. Beperkingen onderzoek en stelselmatig verzet tegen verzoeken verdediging Onder de noemers ‘beperkingen onderzoek ter plaatse en tegenonderzoek’ en ‘stelselmatig verzet tegen verzoeken van de verdediging’ heeft de verdediging van verdachte Pulatov verkondigd dat vele zaken ten onrechte niet zijn onderzocht ten gevolge van tijdsverloop en de situatie ter plaatse, dan wel als bewuste keuze van het Openbaar Ministerie, of als gevolg van beslissingen van de rechtbank na een negatief standpunt van het Openbaar Ministerie daarover. Wat betreft zaken die niet onderzocht konden worden door onder meer de omstandigheden ter plaatse of door tijdsverloop stelt de rechtbank dat dit bezwaarlijk als een vormgebrek kan worden aangemerkt. Van wat onmogelijk is voor, in dit geval, het JIT en het Openbaar Ministerie, kan hen ook geen verwijt worden gemaakt, te minder nog omdat een vormgebrek een actief en bewust handelen of nalaten veronderstelt. Bovendien kunnen deze niet on