RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.20083 v-nummers: [nummer 1], [nummer 2] en [nummer 3] proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam 1] eiseres Mede namens haar minderjarige kinderen [naam 2] en [naam 3], (gemachtigde: mr. M.M.A.F.C. Lienaerts), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A. Bondarev). Procesverloop Bij besluit van 5 oktober 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op de grond dat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL22.20084, op 10 november 2022 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen M.A. Hersi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen
- Alhoewel eiseres zelf in de veronderstelling was dat er al op haar verzoek om internationale bescherming in Zweden was beslist, is in dit geval vast komen te staan dat er nog geen beslissing is genomen op haar verzoek om internationale bescherming in Zweden.
- Eiseres heeft aangevoerd dat zij vreest voor indirect refoulement, omdat er een evident en fundamenteel verschil is tussen het beschermingsbeleid voor Somaliërs in Nederland en Zweden.
- Volgens vaste rechtspraak kan een evident en fundamenteel verschil in beschermingsbeleid ertoe leiden dat moet worden aangenomen dat wegens dit verschil in beschermingsbeleid sprake is van een fundamentele systeemfout, die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt in de zin van het Jawo-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
- Het ligt op de weg van eiseres om concrete aanknopingspunten aan te dragen waaruit volgt dat het beschermingsbeleid in de verantwoordelijke lidstaat evident en fundamenteel verschilt van het beleid dat door de Nederlandse autoriteiten wordt gevoerd. Hierin is eiseres niet geslaagd. De in de beroepsgronden genoemde percentages van het aantal inwilligingen op asielaanvragen van Somaliërs in Zweden en Nederland is onvoldoende voor de conclusie dat een vreemdeling in de verantwoordelijke lidstaat op grond van het algemene beschermingsbeleid geen internationale bescherming krijgt, terwijl hij dat in Nederland in beginsel wel krijgt. Ook zijn er geen concrete aanknopingspunten naar voren zijn gebracht waaruit blijkt dat ook de rechter in Zweden eiseres niet zal beschermen tegen refoulement. De enkele verwijzing naar ‘review’ percentages is niet voldoende. Daarbij komt dat uit de informatie die eiseres zelf heeft overgelegd kan worden afgeleid dat Somalische asielzoekers vanuit Zweden niet worden uitgezet naar Somalië. Dat eiseres wellicht ‘refugee in orbit’ zou kunnen worden in Zweden is verder niet relevant voor de gestelde vrees voor indirect refoulement. Verder kan eiseres zich bij voorkomende problemen wenden tot de Zweedse autoriteiten of niet-gouvermentele organisaties.
- De feiten en omstandigheden zoals eiseres die heeft aangevoerd zijn verder niet van zodanig bijzondere aard dat verweerder in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om wegens bijzondere individuele omstandigheden de behandeling van de asielaanvraag van eiseres aan zich te trekken. Het is verder aan eiseres om toestemming te geven voor het verstrekken van de medische dossiers van haar kinderen in het kader van de geplande overdracht. Daarbij komt dat de medische voorzieningen van Zweden vergelijkbaar zijn met die in Nederland.
- Het beroep is ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2022 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:
- ECLI:EU:C:2019:218.