← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2022:1246

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 21/118 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2022 in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. E. Derksen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: S. Jalouqa). Procesverloop Bij besluit van 8 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers herhaalde aanvraag voor een verblijfsdocument op grond van artikel 18 en 19 van het Terugtrekkingsakkoord afgewezen. Bij besluit van 6 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om het onderzoek ter zitting achterwege te laten. Overwegingen Waar gaat deze zaak over?

  1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1981 en heeft de Sri Lankaanse nationaliteit. Eiser beoogt verblijf bij zijn gestelde Britse partner, [geboortedag] (referente).
  2. Verweerder heeft met het bestreden besluit de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat nog immer sprake is van een schijnrelatie tussen eiser en referente. Verweerder verwijst daarbij naar het oordeel in eisers vorige procedure. Wat vindt eiser in beroep?
  3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Volgens eiser is inmiddels met de overgelegde stukken en foto’s voldoende aangetoond dat zij een duurzame relatie hebben. Zo woont eiser al sinds 16 oktober 2019 samen met referente en zijn een huurcontract, diverse poststukken en foto’s overgelegd. Ook betaalt referente de rekeningen van eisers gemachtigde. Dat eiser en referente de relatie eerder onvoldoende hebben onderbouwd, betekent niet dat er nu nog steeds geen duurzame relatie kan worden aangenomen. Verweerder heeft verder eiser ten onrechte niet gehoord in bezwaar. Wat is het oordeel van de rechtbank?
  4. De rechtbank overweegt dat de beoordeling van het verblijfsrecht op grond van artikel 18 en 19 van het Terugtrekkingsakkoord hetzelfde is als de beoordeling van eisers vorige aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER voor verblijf bij referente. Die aanvraag is afgewezen omdat sprake was van een schijnrelatie tussen eiser en referente. Dat oordeel staat in rechte vast.De rechtbank overweegt verder dat uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter voortvloeit dat niet valt uit te sluiten dat, indien in rechte vaststaat dat partijen een schijnrelatie zijn aangegaan, nadien alsnog een oprechte relatie kan ontstaan. Het is aan de vreemdeling om dat aan te tonen. 4.
  5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser nog steeds niet heeft aangetoond dat hij een oprechte duurzame relatie heeft met referente. Het overgelegde huurcontract is al in de vorige procedure meegewogen. Verder zijn de brief van [vastgoed] , de factuur van [bedrijf] en de brief van het donorregister weliswaar geadresseerd aan het adres waar zij samen stellen te wonen, maar zeggen die stukken niets over het bestaan van een oprechte relatie. Hetzelfde geldt voor de relatieverklaring, dat is immers slechts de verklaring van eiser en referente dat zij een relatie hebben zonder enige onderbouwing. De overgelegde foto’s leiden niet tot een ander oordeel omdat het slechts momentopnames zijn en zij eveneens weinig zeggen over de duurzaamheid van de relatie. Dat referente de rekeningen van eisers gemachtigde betaalt en hem financieel (onder)steunt zegt eveneens weinig over de vraag of zij daadwerkelijk een relatie met eiser heeft. Hoorplicht
  6. Ten aanzien van de gestelde schending van de hoorplicht overweegt de rechtbank dat van het horen in bezwaar slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef, en onder b, van de Awb mag worden afgezien, indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het bestreden besluit en de gronden in het bezwaarschrift is in dit geval aan deze maatstaf voldaan, zodat verweerder van het horen heeft mogen afzien. Conclusie
  7. Het beroep is ongegrond.
  8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr.F.E.J. Valk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 januari
  9. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (2019/C 384 I/01). Het beroep van eiser is bij uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 4 november 2020, AWB 20/4873 ongegrond verklaard. Die uitspraak is bevestigd bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) uitspraak van 10 mei 2021, 202006437/1/V
  10. Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 6 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BS
  11. Het beroep van eiser is bij uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 4 november 2020, AWB 20/4873 ongegrond verklaard. Die uitspraak is bevestigd bij uitspraak van de Afdeling uitspraak van 10 mei 2021, 202006437/1/V
  12. Zie de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3755.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.