← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2022:12510

Rechtbank den haag Wrakingskamer wrakingnummer 2022/31 zaak- /rekestnummer: C/09/629872/ KG RK 22-649 Beslissing van 13 juni 2022 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: verzoeker, strekkende tot de wraking van mr. N.E.M. de Coninck, rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter. Belanghebbende in de hoofdzaak is: het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (gemachtigde: [gemachtigde] ). 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het proces-verbaal van 16 mei 2022 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld; - de schriftelijke reactie van de rechter van 7 juni
  2. 1.
  3. Bij de mondelinge behandeling op 13 juni 2022 is de rechter verschenen. Verzoeker is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Ook namens de belanghebbende in de hoofdzaak was niemand aanwezig. 2Het wrakingsverzoek 2.
  4. Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer SGR 20/7194 tussen verzoeker en de belanghebbende. In deze zaak (hierna: de hoofdzaak) heeft op 16 mei 2022 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verzoeker heeft tijdens deze mondelinge behandeling de rechter gewraakt. 2.
  5. Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij van mening is dat de rechter tijdens de mondelinge behandeling een standpunt in de hoofdzaak heeft ingenomen en dat zij daarom niet betrouwbaar is. 2.
  6. De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en zij heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken. 3De beoordeling 3.
  7. Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden. 3.
  8. De wrakingskamer stelt vast dat de wrakingsgronden een invulling geven aan uitlatingen van de rechter, die zich niet in het proces-verbaal van de zitting laat teruglezen. Het stond de rechter vrij om op de zitting kritische vragen te stellen en opmerkingen te maken over het al dan niet ondertekenen van het bezwaarschrift door verzoeker. Ter zitting heeft de rechter verzoeker in de gelegenheid gesteld om het naar zijn zeggen ondertekende bezwaarschrift te achterhalen. Zij heeft vervolgens benadrukt dat een ondertekend bezwaarschrift nodig is voor het instellen van bezwaar. Doordat de rechter hierop een aantal keren terugkwam, heeft verzoeker zich wellicht kritisch benaderd gevoeld. Zoals hiervoor overwogen stond dat de rechter vrij, zodat de wrakingskamer dit niet kan aanmerken als een vorm van vooringenomenheid of partijdigheid. Los daarvan, mist het wrakingsverzoek feitelijke grondslag, nu de rechter geen standpunt in de hoofdzaak heeft ingenomen. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen. 4De beslissing De wrakingskamer 4.
  9. wijst het verzoek tot wraking af; 4.
  10. bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek; 4.
  11. beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan: • de verzoeker; • de rechter • het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (gemachtigde: [gemachtigde] ). Deze beslissing is mondeling gegeven door mr. M.J. Alt-van Endt, voorzitter, mrs. E.A.W. Schippers en M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 13 juni
  12. De schriftelijke uitwerking van deze beslissing is vastgesteld op 27 juni
  13. de griffier de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.