Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2022:1267
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: NL22.1850 en NL22.2022 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. V. Senczuk), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M. Lorier).
Procesverloop Bij besluit van 3 februari 2022 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser een aanvullend terugkeerbesluit opgelegd. Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van bewaring moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 14 februari 2022 op zitting behandeld. Eiser is via videoconferentie gehoord en bijgestaan door zijn gemachtigde en [tolk] , tolk.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de [nationaliteit] nationaliteit te hebben. Uit het digitale procesdossier blijkt dat eiser (en zijn gezin) verschillende vreemdelingenrechtelijke procedures in Nederland hebben doorlopen.
Over het bestreden besluit 1 (aanvullend terugkeerbesluit) 2. Uit het op 3 februari 2022 genomen terugkeerbesluit blijkt dat dit besluit is genomen ter aanvulling van het eerder genomen terugkeerbesluit van 6 augustus 2015. In het aanvullend terugkeerbesluit is opgenomen dat de terugkeerinspanningen van de Nederlandse overheid zich zullen richten op Armenië. Eiser is hierover mondeling geïnformeerd door verweerder. Ook is onmiddellijk een afschrift van dit besluit aan eiser uitgereikt. De door eiser gegeven zienswijze op dit aanvullend terugkeerbesluit heeft verweerder geen aanleiding gegeven af te zien van het opleggen van dit besluit. Volgens verweerder, zo staat het in het aanvullend terugkeerbesluit, heeft eiser al in eerdere verblijfsprocedures aangegeven niet terug te kunnen keren naar Armenië en zijn de asielaanvragen herhaaldelijk afgewezen.
Over het bestreden besluit 2 (de maatregel van bewaring) Verkapte vreemdelingenrechtelijke staandehouding/aanhouding 7. Eiser betoogt dat bij zijn staandehouding en aanhouding geen, althans onvoldoende, sprake is geweest van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Hij voert daartoe aan dat het strafrechtelijk voortraject onvoldoende duidelijk is, zodat niet kan worden uitgesloten dat er sprake is geweest van een verkapte vreemdelingenrechtelijke aanhouding. Het proces-verbaal van aanhouding geeft aan dat er sprake zou zijn geweest van een melding dat een Ivecobus door de ANPR (automatische kentekenplaatherkenning) was gekomen waarvan de inzittenden werden verdacht van het stelen van fietsen op dezelfde dag in Alblasserdam. Navraag door de gemachtigde bij de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM), de politie en het OM heeft niet geleid tot enige opheldering over de verzochte verduidelijking van de strafrechtelijke verdenking. Verwezen wordt naar de bijgevoegde mailwisseling. Mevrouw Ribbens van de Politie Gouda gaf telefonisch aan gemachtigde aan: “Ze zijn gewoon gecontroleerd.” De AVIM gaf aan niet in het bezit te zijn van andere stukken dan het genoemde proces-verbaal. Gelet op het voorgaande stelt eiser zich op het standpunt dat de staandehouding en aanhouding onrechtmatig zijn geweest, hetgeen in strijd is met artikel 5 van het EVRM en artikel 6 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
Gebleken was immers, zo staat in het proces-verbaal, dat de inzittenden van het voertuig verdacht werden van het stelen van fietsen. De rechtbank gaat uit van de juistheid van dit proces-verbaal. Van de kant van eiser zijn geen aanknopingspunten aangedragen die nopen tot een andersluidend oordeel. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, zoals de uitspraak van 26 juli 2001 (ECLI:NL:RVS:2001:AD6144), volgt voorts dat het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken is te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden. De bevoegdheid van de bijzondere rechter in vreemdelingenzaken is in de Vw 2000 beperkt tot de beoordeling van op die wet gebaseerde vrijheidsontnemingen.
Die wet biedt de rechtbank derhalve geen ruimte om zich een oordeel te vormen over de rechtmatigheid van aan de bewaring voorafgaande aanwending van strafrechtelijke bevoegdheden. Daartoe moet men zich wenden tot de ter zake van strafvorderlijk optreden aangewezen rechter of tot een rechter met een algemene bevoegdheid. Slechts indien de onrechtmatigheid van de aanwending van zodanige bevoegdheden door een daartoe bevoegde rechter is vastgesteld, kan de vreemdelingenrechter zich gesteld zien voor de vraag naar de gevolgen daarvan voor de rechtmatigheid van de inbewaringstelling. Van een dergelijke situatie is in het onderhavige geval geen sprake. Eisers beroepsgrond slaagt daarom niet.
Recht op rechtsbijstand 11. Eiser betoogt dat zijn recht op rechtsbijstand is geschonden. Voor het gehoor voorafgaand aan de bewaring heeft hij nadrukkelijk aangegeven dat er sprake was van een voorkeursadvocaat, mr. Swart, maar deze is niet benaderd door verweerder. Verwezen wordt hierbij naar een e-mailbericht van mr. Swart van 5 februari 2022. Hierdoor is kennelijk in strijd met de waarheid aan eiser medegedeeld dat zijn voorkeursadvocaat niet beschikbaar was. Er is vervolgens een piketadvocaat ingeschakeld, maar deze kon niet bij het gehoor aanwezig zijn. Door alleen een piketmelding bij de Raad voor Rechtsbijstand te doen en verder niet zelf meer contact te zoeken met eisers voorkeursadvocaat, die bezig is met een procedure voor eisers gezin en derhalve volledig op de hoogte was van alle “ins and outs” en daaromtrent bij het gehoor het een en ander naar voren had kunnen brengen, heeft verweerder niet voldaan aan zijn inspanningsverplichting. Hierdoor is de bewaring van meet af aan onrechtmatig, aldus eiser. Verwezen wordt naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 12 november 2021 (ECLI:NL:RBNNE:2021:4954).
12De rechtbank overweegt als volgt.
Artikel 100, eerste lid, van de Vw 2000 luidt: “Op verzoek van de vreemdeling wordt hem een raadsman toegevoegd zodra hem ingevolge deze wet zijn vrijheid is ontnomen.”
Artikel 5.2, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) luidt: “Aan de vreemdeling wordt tijdig mededeling gedaan van de hem toekomende bevoegdheid zich bij het gehoor te doen bijstaan door zijn raadsman.”
In paragraaf A5/6.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) staat het volgende opgenomen: “De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV stelt de vreemdeling tijdig in kennis van het recht om in het bijzijn van een advocaat gehoord te worden. Indien de vreemdeling een advocaat bij het gehoor wenst, worden de piketcentrale of de voorkeursadvocaat bericht over de voorgenomen inbewaringstelling. In geval van hernieuwde inbewaringstelling als bedoeld in paragraaf A5/6.7 Vc kan dit bericht verzonden worden naar de advocaat die de vreemdeling in de eerdere bewaringsprocedure al bijstond.
Er mag met het gehoor worden begonnen zonder bijzijn van een advocaat:
Dit blijkt ook uit de “Melding vreemdelingenpiket” van 3 februari 2022, waarin verweerder aan de Raad voor de Rechtsbijstand aangeeft dat mr. Swart de voorkeursadvocaat is. In de gedingstukken staat vervolgens dat de voorkeursadvocaat niet tijdig (binnen 2 uur) heeft gereageerd waarna de melding is geaccepteerd door de piketadvocaat. Uit het door eiser overgelegde e-mailbericht van 5 februari 2022 blijkt dat de voorkeursadvocaat in het geheel niet is benaderd om als gemachtigde op te treden voor eiser. In het procesdossier bevindt zich geen stuk waaruit blijkt dat de voorkeursadvocaat daadwerkelijk is benaderd door verweerder (of door de Raad voor de Rechtsbijstand). Ook ter zitting heeft verweerder geen melding gemaakt van een dergelijk stuk.
Gelet hierop is eiser ten onrechte medegedeeld dat zijn voorkeursadvocaat niet beschikbaar was, hetgeen niet weersproken is door verweerder. Nu niet kan worden vastgesteld dat de voorkeursadvocaat van eiser is benaderd, brengt dat met zich dat het recht op toevoeging van een raadsman bij vrijheidsontneming, bedoeld in artikel 100, eerste lid, van de Vw 2000, is geschonden en dat de vreemdeling in zijn belangen is geschaad. Dit gebrek maakt de inbewaringstelling, indien voor de rest aan alle in de wet gestelde vereisten daarvoor is voldaan, pas onrechtmatig indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.
De rechtbank verwijst in dat kader naar de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1571).
De gronden van de maatregel 15. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vb 2000, als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Lichter middel 18. Eiser betoogt dat verweerder had moeten volstaan met de toepassing van een lichter middel. Hij voert daartoe aan dat hem in het gehoor voorafgaand aan het terugkeerbesluit is medegedeeld dat hij binnen 28 dagen diende terug te keren naar Armenië dan wel naar een ander land buiten de Europese Unie waar zijn toelating is gewaarborgd. Desondanks is hij in bewaring gesteld. Eiser stelt zich op het standpunt dat een voortduring van de maatregel onevenredig is en disproportioneel. Bij een afweging van belangen dienen zijn belangen te prevaleren.
Over de beroepen 21. De beroepen tegen de bestreden besluiten zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
22Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing De rechtbank:- verklaart de beroepen ongegrond;
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Goofers, rechter, in aanwezigheid van mr. D.S.A.W. Raes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 18 februari 2022.
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.