RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummers: NL22.23466 en NL22.23708 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser], eiser, V-nummer: [nummer], gemachtigde: mr. J van Bennekom en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, gemachtigde: mr. S. Bozkurt-Chhiba. Procesverloop Bij besluit van 16 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (NL22.23466). Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Eiser heeft tevens beroep ingesteld tegen de aan de bewaring voorafgaande ophouding op grond van artikel 50 van de Vw 2000 (NL22.23708). De rechtbank heeft de beroepen, tezamen met de zaken NL22.23894 (verzoek om een voorlopige voorziening te treffen, connex aan het beroep tegen de ophouding) en NL22.23896 (verzoek om een voorlopige voorziening te treffen, connex aan het beroep tegen de maatregel van bewaring), op 24 november 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum]. Ten aanzien van de beide beroepen 2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling staat bij een beroep tegen een bewaringsmaatregel, als geen sprake is van feitelijke onderbrekingen, ook het voortraject ter beoordeling. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak geen sprake is geweest van dergelijke feitelijke onderbrekingen, zodat alle door eiser aangevoerde gronden in het beroep tegen de ophouding ook in het beroep tegen de bewaringsmaatregel kunnen worden aangevoerd. De gemachtigde van eiser heeft niet aangegeven wat in dit geval materieelrechtelijk de toegevoegde waarde is van het beroep tegen de ophouding. De rechtbank zal daarom beide beroepen aanmerken als één beroep gericht tegen de bewaringsmaatregel. Ten aanzien van de ophouding 2. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000, omdat bekend was dat eiser illegaal was en zijn identiteit nooit had aangetoond. 2.1 De rechtbank volgt eiser hierin niet. Op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000 mag, indien de identiteit van de staande gehouden persoon niet onmiddellijk kan worden vastgesteld, hij worden overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor. Niet in geding is dat eisers identiteit niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. Verder volgt uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek dat niet alleen onderzoek is uitgevoerd ter vaststelling van de identiteit, maar ook ter vaststelling van de nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Dat onderzoek heeft plaatsgevonden door de kleding en/of het lichaam van eiser te onderzoeken en vingerafdrukken af te nemen en daarmee verschillende digitale systemen te raadplegen. Dit zijn onderzoekshandelingen die passen bij een ophouding op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000. De rechtbank is daarom van oordeel dat de juiste grondslag voor de ophouding is gebruikt. Deze beroepsgrond slaagt niet. 3. Eiser stelt dat hij onnodig lang is opgehouden, nu hij om 11:35 uur is aangehouden en eerst om 16:15 uur in bewaring is gesteld. Het was meteen duidelijk om wie het ging en dat een verblijfsrecht ontbrak; langer wachten met in bewaring stellen maakt die bewaring dan onrechtmatig. 3.1 De rechtbank volgt eiser hierin niet. Op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een vreemdeling niet langer dan zes uren opgehouden, met dien verstande, dat de tijd tussen middernacht en negen uur voormiddags niet wordt meegerekend. Niet in geding is dat eiser niet langer dan zes uren is opgehouden, en eiser heeft desgevraagd niet onderbouwd op welke rechtsregel hij zijn stelling baseert. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. 4. Eiser stelt dat de Terugkeerrichtlijn geen bevoegdheid geeft tot vrijheidsbeneming ter verificatie van de identiteit, nationaliteit en het verblijfsrecht, en vraagt zich af of die richtlijn toestaat dat met artikel 50 van de Vw 2000 een extra mogelijkheid tot vrijheidsbeneming wordt geboden, die verder gaat dan wat in de richtlijn is geregeld. Volgens eiser mag naar staande rechtspraak een lidstaat geen verdergaande beperkingen op rechten invoeren dan een richtlijn toestaat en zijn bepalingen die strijdig zijn met een richtlijn daarom onverbindend. Dat maakt volgens eiser dat artikel 50 Vw 2000 als onverbindend buiten toepassing moet worden gelaten. Het primaat van het Unierecht maakt volgens eiser dat de rechtbank hierover een prejudiciële vraag moet stellen aan het Hof. Hij wijst in dit verband op punt 26 van de conclusie van de AG van 21 juni 2021 en verzoekt de rechtbank een prejudiciële vraag te stellen. 4.1 In punt 26 van de conclusie schrijft de AG: “Volgens de verwijzende rechter omvatten de voorwaarden voor de rechtmatigheid van vreemdelingenbewaring onder meer de voorwaarden betreffende de aanhouding, de verificatie van de identiteit, van de nationaliteit en van het verblijfsrecht, de overbrenging naar de plaats van verhoor, het gebruik van handboeien, het recht op consulaire bijstand en op de aanwezigheid van een raadsman en een tolk tijdens het verhoor, de rechten van de verdediging, het bestaan van een risico op vlucht of onttrekking, het vooruitzicht van verwijdering of overdracht, de zorgvuldigheid van de staatssecretaris, procedurele aspecten zoals de ondertekening en het tijdstip van de bewaringsmaatregel, en de vraag of de bewaring in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel.” Het Hof wijst in het arrest van 8 november 2022 in overweging 31 in min of meer vergelijkbare bewoordingen op die tekst. De AG in de conclusie, noch het Hof in het arrest, gaan echter in op de rechterlijke toetsing van het gebruik van bevoegdheden in het traject dat kan leiden tot inbewaringstelling. Het Hof antwoordt op de door de Afdeling gestelde prejudiciële vraag (kort samengevat) dat de bewaringsrechter bij de toetsing of de uit het Unierecht voortvloeiende voorwaarden voor de rechtmatigheid van de bewaring van een derdelander zijn nageleefd, ambtshalve de eventuele niet-naleving van een door de betrokkene niet aan de orde gestelde rechtmatigheidsvoorwaarde moet vaststellen. Die rechtmatigheidsvoorwaarden staan volgens het Hof in artikel 15, tweede en derde lid, van de Terugkeerrichtlijn, artikel 9, derde en vijfde lid van de Opvangrichtlijn, en artikel 28, vierde lid, van de Dublinverordening, gelezen in samenhang met de artikelen 6 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank, dat het gebruik van bevoegdheden in het traject dat kan leiden tot inbewaringstelling niet valt onder het bereik van het Unierecht en daardoor niet wordt gereguleerd. De beantwoording van de door eiser opgeworpen vraag is daarom niet nodig voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982 in de zaak Cilfit, en 5 november 2021 in de zaak Consorzio Italian Management, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Ten aanzien van de maatregel van bewaring 5. Eiser stelt dat bij het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling dat ten onrechte gebruik is gemaakt van een tolk in de Spaanse taal in plaats van een tolk in de Arabische taal, omdat die niet beschikbaar zou zijn. Dit hoewel de advocaat tijdens het gehoor heeft gezegd het gevoel te hebben dat eiser tekortschoot in de Spaanse taal. Het recht op een tolk in de eigen taal is volgens eiser een procedurele waarborg van Unierecht. 5.1 De rechtbank volgt eiser daarin niet. Gelet op het verloop van het gehoor en de inhoud van het verslag daarvan, is de rechtbank niet gebleken dat eiser tijdens het gehoor niet of niet goed heeft kunnen verklaren, dat hij iets niet begrepen heeft of dat hij nadeel heeft ondervonden van het gebruik van een tolk in de Spaanse taal. Blijkens dit proces-verbaal heeft eiser verklaard dat hij de tolk in de Spaanse taal goed verstond en begreep. Evenmin blijkt uit het proces-verbaal dat tijdens het gehoor sprake is geweest van misverstanden in de communicatie met de tolk. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen reden voor twijfel aan de juistheid van dit op ambtseed opgemaakte proces-verbaal. Eiser heeft ter zitting ook niet geconcretiseerd wat hij niet heeft kunnen of anders willen verklaren.. Desgevraagd heeft eiser ook niet uit kunnen leggen welke Unierechtelijke rechtsregel verplicht tot het gebruik maken van een tolk in de eigen taal van een vreemdeling. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. 6. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware grond vermeld dat eiser:3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld. 6.1 Ter zitting heeft verweerder desgevraagd de toelichting op de zware grond 3c: “Betrokkene is veroordeeld voor een winkeldiefstal, gepleegd op 14 juni 2022 en een winkeldiefstal gepleegd op 21 juni 2022. Daarnaast is betrokkene verdachte geweest van winkeldiefstal op 17 juni 2022 en 1 augustus 2022. [..] Uit het feit dat betrokkene diverse maken is aangehouden ter zake winkeldiefstal, blijkt dat betrokkene er voor kiest zijn onrechtmatige verblijf in Nederland te laten voortduren en niet te werken aan zijn vertrek naar Marokko.” laten vallen. Ook heeft verweerder de lichte grond 4e laten vallen. De rechtbank stel vast dat eiser de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde gronden niet heeft betwist. 7. Eiser wijst op het arrest I.L. van het Hof van 6 oktober 2022, waarin het Hof oordeelt dat artikel 15, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn, een lidstaat niet de mogelijkheid biedt om enkel op grond van een algemeen criterium inzake het risico dat de daadwerkelijke uitvoering van de verwijdering wordt ondermijnd, de inbewaringstelling te bevelen van een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land, zonder dat sprake is van een van de specifieke gronden voor bewaring zoals voorzien en duidelijk omschreven in de wetgeving die ertoe strekt de genoemde bepaling om te zetten in nationaal recht. Eiser stelt dat in de maatregel als wettelijke grondslag alleen artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 wordt genoemd, en dat daarbij alleen wordt toegelicht dat de maatregel nodig zou zijn omdat een risico bestaat dat betrokkene zich aan het toezicht zal onttrekken. Dat wordt onderbouwd met feiten en omstandigheden, maar niet wordt benoemd op welke wettelijke grondslag de opsomming van die feiten en omstandigheden is gebaseerd. Volgens eiser moet artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 daarom als onverbindend wegens strijd met het Unierecht buiten toepassing gelaten te worden. Eiser verzoekt de rechtbank daarom een prejudiciële vraag te stellen. 7.1 De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraak van 8 juni 2022 geoordeeld dat het enkele feit dat bij de opsomming van feiten en omstandigheden die moeten leiden tot de conclusie dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken niet wordt genoemd op welke wettelijke grondslag die opsomming berust, niet betekent dat de maatregel in strijd met het Unierecht zou zijn genomen. De rechtbank ziet in het arrest I.L geen aanleiding in dit geval anders te oordelen. In de casus waar het Hof over oordeelde was sprake van een proces-verbaal van inbewaringstelling, waarin (voor zover hier relevant) alleen was vermeld dat er “redenen waren om aan te nemen dat de betrokkene zich, ondanks zijn toezegging om het land vrijwillig te verlaten en zijn verzoek om zijn vrijwillig vertrek te gelasten, aan de verwijdering zou kunnen onttrekken.” Welke redenen dat waren, was in het proces-verbaal niet gerelateerd. Daarover oordeelt het Hof dat artikel 15, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn een lidstaat niet de mogelijkheid biedt om enkel op grond van een algemeen criterium inzake het risico dat de daadwerkelijke uitvoering van de verwijdering wordt ondermijnd, de inbewaringstelling te bevelen van een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land, zonder dat sprake is van één van de specifieke gronden voor bewaring zoals voorzien en duidelijk omschreven in de wetgeving die ertoe strekt de genoemde bepaling om te zetten in nationaal recht. In de maatregel van bewaring die nu ter beoordeling voorligt, is het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken onderbouwd met feiten en omstandigheden die op eiser zien, en die hun grondslag vinden in het Vreemdelingenbesluit 2000. Dat maakt dat eiser kon voorzien in welke gevallen hij in bewaring zou kunnen worden gesteld en dat hij kan beoordelen of die feiten en omstandigheden daadwerkelijk op hem van toepassing zijn. De beantwoording van de door eiser opgeworpen vraag is daarom niet nodig voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de al genoemde arresten van het Hof in de zaken Cilfit, en Consorzio Italian Management, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. 8. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarendheid betracht bij de (voorbereiding van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.