RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.16065 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [verzoeker] , verzoeker V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 7 oktober 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 25 maart 2021 niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Op 20 januari 2022 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken. Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Verweerder heeft op 3 mei 2022 van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Verweerder is bereid om de proceskosten te vergoeden tot een bedrag van € 759,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift) en om het door verzoeker betaalde griffierecht ten bedrage van € 181,- te vergoeden. Partijen hebben toestemming gegeven om zonder zitting uitspraak te doen. De rechtbank sluit nu met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek. Overwegingen
- Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop stelt de rechtbank vast dat verweerder tegemoet is gekomen aan de bezwaren van verzoeker.
- De rechtbank ziet, gelet op het bepaalde in artikel 8:75a van de Awb, aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
- De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).
- De rechtbank ziet, gelet op het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb, aanleiding om verweerder op te dragen het door verzoeker betaalde griffierecht te vergoeden. Beslissing De rechtbank: veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 759,-; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan verzoeker te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 10 mei 2022 Documentcode: [documentcode] Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.