← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2022:13395

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.23643 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. R.E. Temmen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. G. Cambier). Procesverloop Bij besluit van 18 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Eiser heeft zich desgevraagd op 22 november 2022 akkoord verklaard met schriftelijke afdoening. Op 24 november 2022 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend. Op 28 november 2022 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 5 december 2022 het onderzoek gesloten. Overwegingen

  1. Allereerst stelt de rechtbank vast dat de maatregel waartegen het beroep is gericht, gelet op de datum van ondertekening en uitreiking, en zoals verder is af te leiden uit de datum van het beroepschrift, op 18 november 2022 door verweerder is opgelegd. De vermelding in de maatregel van 20 november 2022 als datum waarop de maatregel zou zijn opgelegd betreft onmiskenbaar een vergissing.
  2. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben. Uit de motivering van de maatregel en uit de overige stukken in het dossier volgt dat op eiser de Dublinverordening van toepassing is. Dit is bevestigd met het claimakkoord met Duitsland van 23 november
  3. Verweerder was dan ook op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw bevoegd om aan eiser de maatregel van bewaring op te leggen.
  4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Als zware gronden staat in de maatregel vermeld dat eiser:  3 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;  3 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; En als lichte gronden staat in de maatregel vermeld dat eiser:  4 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;  4 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;  4 4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
  5. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd in beroep niet betwist.
  6. Verweerder heeft terecht de zware gronden 3a en 3b aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. Eiser heeft verklaard niet over een nationaal paspoort te beschikken en geen melding te hebben gedaan van zijn onrechtmatig verblijf bij binnenkomst.Deze zware gronden tezamen zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Verweerder heeft op grond hiervan terecht een significant risico aangenomen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
  7. Verweerder heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken te ondervangen. Verweerder heeft ook voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken. Evenmin is gebleken dat verweerder onvoldoende voortvarend te werk is gegaan bij de voorbereiding en/of uitvoering van de overdracht aan Duitsland. Daags na het claimakkoord is een overdrachtsbesluit genomen. Dat eiser in beroep aanvoert dat hij zo spoedig mogelijk overgedragen wil worden aan de Duitse autoriteiten en dat hij meent dat hij zelfstandig naar Duitsland kan gaan, leidt niet tot een andere conclusie.
  8. De maatregel van bewaring is terecht aan eiser opgelegd. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank:  verklaart het beroep ongegrond;  wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb. Proces-verbaal van gehoor van 18 november 2022 (M110), p. 2 en 3 van 6.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.