RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL22.276 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. D. Matadien), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A.T.M. Vroom-van Berckel). Procesverloop Bij besluit van 14 april 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘familie en gezin’ (de aanvraag) afgewezen. Bij besluit van 9 december 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 16 november 2022 op zitting behandeld. Namens eiser is verschenen diens gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Inleiding 1.1. Eiser Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Albanese nationaliteit. Hij is op 17 mei 2018 in Roemenië in het huwelijk getreden met [naam 1] (referente), die de Roemeense nationaliteit bezit. 1.2. Vorige procedure Op 20 augustus 2018 heeft eiser een aanvraag gedaan tot toetsing aan het EU-recht (bewijs van rechtmatig verblijf) die door verweerder bij besluit van 8 maart 2019 is afgewezen nadat verweerder heeft geconcludeerd dat eiser en referente een huwelijk zijn aangegaan met als enig doel het in de richtlijn neergelegde recht van vrij verkeer en verblijf te kunnen genieten, waarop anders geen aanspraak zou kunnen worden gemaakt (schijnhuwelijk). Dat besluit is in bezwaar gehandhaafd bij het besluit van 11 juni 2019. Het daartegen door eiser ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 januari 2020 (zaaknummer AWB 19/5258) ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft die uitspraak op 20 mei 2020 in hoger beroep bevestigd. Deze procedure wordt hierna aangeduid als ‘de vorige procedure’. Het besluit van 11 juni 2019 staat dus in rechte vast. 1.3. Afwijzing van de aanvraag en de hardheidsclausule Op 21 september 2020 heeft eiser de aanvraag ingediend. Bij het primaire besluit, dat gehandhaafd is in het bestreden besluit, is de aanvraag afgewezen omdat eiser geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft en niet in aanmerking komt voor vrijstelling van dat vereiste (mvv-vereiste). Ook zijn er geen bijzondere omstandigheden die maken dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste in eisers geval onredelijk hard is. Van eiser mag namelijk worden verlangd dat hij terugkeert naar Albanië om daar een mvv aan te vragen. Dat kan ook, want eiser heeft daar recentelijk nog verbleven en zijn banden met Albanië zijn volgens verweerder sterker dan die met Nederland. 1.3.1. Familieleven Verweerder neemt geen familieleven aan tussen eiser en referente omdat tussen hen, ook al zijn ze gehuwd, geen daadwerkelijk huwelijksleven bestaat. In de vorige procedure is namelijk vastgesteld dat het huwelijk van eiser en referente een schijnhuwelijk is. Verweerder stelt vast dat eiser geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die dit nu anders maken. Tussen eiser en zijn stiefzoon bestaat ook geen familieleven. Verweerder concludeert daarom dat eisers uitzetting naar Albanië niet in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). 1.3.2. Privéleven Eiser heeft in Nederland wel privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, maar de belangenafweging op dit punt valt volgens verweerder uit in het nadeel van eiser. Het betreft een eerste toelating en verweerder acht de banden van eiser met Albanië sterker dan die met Nederland: hij heeft de Albanese nationaliteit, heeft het grootste deel van zijn leven in Albanië gewoond en heeft daar recentelijk langere tijd verbleven. Verweerder heeft herhaaldelijk aangegeven dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning, waarbij zwaar in zijn nadeel meeweegt dat in de vorige procedure is vastgesteld dat hij een schijnhuwelijk met referente is aangegaan met het doel om verblijf in Nederland te verkrijgen. Het belang van de Nederlandse overheid weegt volgens verweerder zwaarder dan dat van eiser. Beoordeling 2. Eiser betoogt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en ontoereikend gemotiveerd. Daartoe voert hij (samengevat) het volgende aan. Van een schijnhuwelijk is geen sprake. Hij heeft inmiddels al enkele jaren gezinsleven met zijn vrouw en stiefzoon en daar invulling aan geeft. Vanwege zijn samenleving met referente en haar zoon op hetzelfde adres is er volgens eiser al sprake van familie- en gezinsleven. De bewijslast dat geen sprake is van een duurzame en exclusieve relatie, rust volgens eiser op verweerder. Verweerder heeft niet kunnen volstaan met de vaststelling in de vorige procedure dat van een schijnhuwelijk sprake is. Hij had daar onderzoek naar moeten doen en hij heeft ook ten onrechte afgezien van het horen in bezwaar, aldus eiser. Ook heeft verweerder volgens eiser miskend dat eiser stiefvader is van [naam 3], de zoon van referente. 2.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3569, leidt de rechtbank af dat, wanneer eerder is vastgesteld dat sprake is van een schijnhuwelijk, betrokkenen aannemelijk kunnen maken dat alsnog een oprechte relatie is ontstaan. De bewijslast verschuift dan in eerste instantie naar de vreemdeling. Het is daarbij aan de vreemdeling om met objectieve stukken en ondersteunend bewijs te onderbouwen dat aan het huwelijk een oprechte relatie ten grondslag ligt en dat feitelijk invulling wordt gegeven aan dit huwelijk (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:517). 2.2. De rechtbank moet eerst beoordelen of eiser in de hiervoor bedoelde bewijslast is geslaagd. Het resultaat van die beoordeling is namelijk bepalend voor de beantwoording van de vraag of verweerder was gehouden tot het verrichten van nader onderzoek. Voor deze beoordeling is van belang met welk bewijs eiser onderbouwt dat alsnog een oprechte relatie is ontstaan. Eiser heeft de volgende stukken ingebracht. 2.2.1. Bij de aanvraag heeft eiser de volgende stukken overgelegd: een boekingsbevestiging van een vlucht met easyJet van 9 maart 2016 met daarop de namen van eiser en referente; een (Italiaanstalige) reservering voor een hotel in Budapest van 3 december 2017 met daarop de namen van eiser en referente; foto’s uit 2011, 2014, 2015, 2016, 2017, 2018 en 2019 waarop (overwegend) eiser en referente in elkaars gezelschap te zien zijn in diverse landen en op diverse plaatsen. 2.2.2. Bij brief van 2 juni 2021 heeft eiser in bezwaar de volgende stukken overgelegd: een (ongedateerd) uittreksel van de Kamer van Koophandel van [naam bedrijf] met als naam van de enig aandeelhouder de naam van eiser en als adres [adres], dat het adres is waarop eiser en referente staan ingeschreven; een uittreksel uit de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente Schiedam; een brief van de GGD Rotterdam-Rijnmond van 3 februari 2020 aan referente over bloedonderzoek; een brief van de gemeente Schiedam aan eiser van 27 september 2018 over zijn inschrijving in de BRP; een last tot toevoeging van de Raad voor Rechtsbijstand van 31 juli 2019, gericht aan eiser; een brief van de Belastingdienst van 16 januari 2020 aan referente waarin onder meer staat vermeld: “Uit onze gegevens blijkt dat [naam 2] uw toeslagpartner is sinds 1 januari 2020. (…)”; een brief van VGZ aan eiser van 9 juli 2019; een brief van de Belastingdienst van 12 november 2018, gericht aan [naam bedrijf] met het adres [adres] over het doen van aangifte loonheffingen over 2019; een brief van de Belastingdienst van 13 december 2018 aan referente die onder meer vermeldt: “Uit onze gegevens blijkt dat [naam 2] uw toeslagpartner is per 1 juni 2018.(…)”; een brief van de Belastingdienst van 8 november 2018 gericht aan [naam bedrijf] met het adres [adres]; een brief van notariskantoor [naam notariskantoor] van 30 oktober 2018 gericht aan [naam bedrijf] aan het adres [adres] over de oprichting van [naam bedrijf]; een brief van de Belastingdienst van 28 februari 2020 aan eiser; nogmaals de hiervoor onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.