← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2022:13624

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 22/8008 uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 december 2022 in de zaak tussen [verzoeker], te [woonplaats], verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder(gemachtigde: mr H. van Soest). Procesverloop Tussen eiser en verweerder is bij deze rechtbank een bodemprocedure aanhangig (zaaknummer SGR 20/4257) over de afwijzing van een Individuele Studietoeslag (IST) door verweerder. In die procedure (en de daarmee gevoegde zaak SGR 20/2648) heeft verzoeker op 15 november 2022 een stuk ingebracht, waarboven staat aangegeven ‘Verzoek aan rechtbank om voorlopige voorziening bij beroepsprocedure’. De administratie van de rechtbank heeft dit stuk met bijlagen gevoegd in het dossier van de zaak waarin het door verzoeker was ingestuurd, te weten SGR 20/4257. Op 8 december 2022 heeft in de zaken SGR 20/4257 en SGR 20/2648 de zitting plaatsgevonden. Desgevraagd door de rechter heeft eiser (thans verzoeker) op die zitting geantwoord dat het een fout was dat hij dit stuk in de bodemprocedure heeft ingebracht. Uit een e-mail van verzoeker van 13 december 2022 blijkt dat verzoeker met het verzoek, dat volgens hem al maanden geleden is gedaan, heeft verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. 2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. 3.1 Verzoeker heeft aangevoerd dat het verzoek al maanden geleden is gedaan en dat het nooit behandeld is. Kennelijk is daarin de spoed gelegen. 3.2 De voorzieningenrechter constateert allereerst dat het verzoek op 15 november 2022 is gedaan, derhalve één maand geleden, en dat het inderdaad niet behandeld is omdat het door verzoeker is ingebracht als stuk in (een) bodemprocedure(s). Pas na de zitting van 8 december 2022 in die bodemprocedure(

  1. s)heeft verzoeker aangegeven dat hij een en ander heeft bedoeld als verzoek om voorlopige voorziening. 4. De voorzieningenrechter zal het verzoek afwijzen en overweegt daartoe als volgt. 4.1 Het verzoek luidt letterlijk als volgt: “Gezien de medische documentatie duidelijk wel aangeven dat ik medisch beperkt ben echter dit eerder door fout gedacht werd dat ik niets betwiste niet is toegekend. Verzoek ik u vriendelijk de gehandicaptenparkeerkaart toe te kennen. Cura ut valeas, Shiva” 4.2 De voorzieningenrechter is er ambtshalve mee bekend dat er van verzoeker omstreeks 30 beroepszaken lopen, waarvan een aantal betrekking heeft op afgewezen aanvragen voor een gehandicaptenparkeerkaart. Het verzoek is er kennelijk op gericht om die beroepszaken eerder behandeld te krijgen. Dit is in feite een kwestie van voordringen. Daarvoor is het instrument van een voorlopige voorziening niet bedoeld. Alleen al om die reden is het evident dat het verzoek moet worden afgewezen. 4.3 In de tweede plaats is de wens van verzoeker om een gehandicaptenparkeerkaart toegekend te krijgen geen voorlopige voorziening, maar een definitieve toekenning. Een dergelijk verzoek is in deze zaak niet mogelijk omdat daarover in de bodemprocedure(
  2. s)wordt beslist. Het verzoek dient ook om die reden te worden afgewezen. 5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.W.A. van Weert, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2022. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.