RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: AWB 22/7144 uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 december 2022 in de zaak tussen [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] , van Britse nationaliteit, v-nummer: [#] , verzoeker, (gemachtigde: mr. J.S. Pols), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. J.V. de Kort). Procesverloop Bij besluit van 3 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoeker geïnformeerd dat hij voor de duur van twee jaar staat gesignaleerd in het Schengen Informatie Systeem (SIS II) en hem voor die duur de toegang tot het Schengengebied ontzegd. Verzoeker heeft hiertegen op 15 november 2022 bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter op 21 november 2022 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Op 22 november 2022 heeft de griffier verweerder verzocht de op het verzoek betrekking hebbende stukken toe te zenden aan de rechtbank. Op 29 november 2022 heeft de rechtbank partijen bericht dat de voorlopige voorziening op 9 december 2022 om 11:00 uur op een zitting wordt behandeld. Bij brief van 5 december 2022 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een ordemaatregel dan wel voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt om verzoeker in de gelegenheid te stellen de zitting fysiek bij te wonen en hem tijdelijk te behandelen als ware hij niet gesignaleerd in het SIS II-systeem. Bij uitspraak van 6 december 2022 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen. Verweerder heeft op 2 december 2022 de stukken van het dossier overgelegd. In een begeleidend schrijven heeft hij ten aanzien van twee gedingstukken een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit houdt in dat verweerder aan de rechtbank heeft meegedeeld dat alleen de rechtbank kennis mag nemen van deze stukken. Verweerder heeft op 7 december 2022 het verzoek om vertrouwelijke kennisname voor één van de stukken voor een belangrijk deel laten vervallen en dit stuk aan verzoeker verstrekt. Voor het overige heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank op 8 december 2022 beslist dat de beperking van de kennisneming van de genoemde stukken is gerechtvaardigd. Op 7 december 2022 heeft verzoeker aanvullende producties in de procedure gebracht. Diezelfde dag heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2022. Verzoeker heeft via een Skypeverbinding aan de zitting deelgenomen. Hij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was als tolk aanwezig D. Le Pair. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.V. de Kort en mr. E.C. Pietermaat. Overwegingen Toestemming in het kader van artikel 8:29 van de Awb 1. De twee gedingstukken waarbij verweerder heeft aangegeven dat alleen de rechtbank kennis mag nemen van die stukken betreffen een informatierapport van de Politie eenheid Amsterdam, Dienst Regionale Informatie Organisatie (DRIO-informatierapport) van 31 oktober 2022 en een e-mail van de gemeente Amsterdam van 19 oktober 2022 aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Op 7 december 2022 heeft verweerder het geanonimiseerde DRIO-informatierapport van 31 oktober 2022 aan verzoeker verstrekt. Een geanonimiseerde versie van de e-mail van 19 oktober 2022 bevond zich al in het dossier. In beide documenten zijn de persoonsgegevens door verweerder onleesbaar gemaakt. De geheimhoudingskamer van deze rechtbank heeft in de beslissing van 8 december 2022 geoordeeld dat er gewichtige redenen zijn die beperking van de kennisneming rechtvaardigen. Ter zitting heeft verzoeker toestemming verleend aan de voorzieningenrechter om kennis te nemen van de persoonsgegevens die weggelakt zijn en mede op grond van die gegevens uitspraak te doen. Het toetsingskader van het verzoek om een voorlopige voorziening 2. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.1 De voorzieningenrechter overweegt dat de gevraagde voorlopige voorziening geen voorlopig karakter heeft, omdat deze ertoe strekt om de komst van verzoeker naar Nederland mogelijk te maken. Toewijzing van deze gevraagde voorlopige voorziening betekent dat verweerder voor een voldongen feit wordt gesteld. Een dergelijk verzoek om een voorlopige voorziening komt daarom slechts in uitzonderlijke gevallen voor toewijzing in aanmerking, namelijk in die gevallen waarin de nadelige gevolgen van de afwijzing van het verzoek in verhouding tot het belang van verweerder bij de handhaving van die afwijzing zo onevenredig zijn dat het besluit op bezwaar niet kan worden afgewacht. Volgens vaste jurisprudentie is voor een dergelijke vergaande beslissing in beginsel slechts plaats indien een zwaarwegend spoedeisend belang daartoe noopt en sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Heeft verzoeker een spoedeisendheid belang? 3. Verzoeker voert aan dat gelet op hetgeen hij in bezwaar heeft aangevoerd, het evident is dat de signalering in het SIS II-systeem een disproportionele schending van fundamentele vrijheidsrechten is. Het spoedeisend belang is daarmee in beginsel gegeven, aldus verzoeker. Als gevolg van het besluit heeft verzoeker gedurende de komende twee jaar zeer beperkte mogelijkheden om het Verenigd Koninkrijk te verlaten. Uit de beslissing tot verdaging van de beslistermijn voor het bezwaarschrift blijkt dat verweerder naar verwachting niet voornemens is om het bestreden besluit op afzienbare termijn te herroepen. Daarnaast doorkruist het besluit de reisplannen van verzoeker, waaronder een bezoek tijdens de kerstdagen aan zijn schoonouders in Nederland. 3.1 Verweerder betwist dat verzoeker een spoedeisend belang heeft omdat hij dat belang niet nader heeft geconcretiseerd. Verzoeker heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat hij binnenkort gaat reizen en niet nader geconcretiseerd dat hij met kerst daadwerkelijk zijn in Nederland wonende schoonouders gaat bezoeken. Daarmee heeft verzoeker geen zwaarwegend belang omdat hij zijn schoonouders ook kan bellen of hen naar het Verenigd Koninkrijk kan laten komen. 3.2 De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Hoewel verzoeker zijn reisplannen niet nader heeft geconcretiseerd, heeft verzoeker wel aangegeven dat hij binnen een afzienbare tijd naar het Schengengebied wil reizen om daar bijvoorbeeld zijn schoonouders te bezoeken met kerst. Verweerder heeft dit op zichzelf genomen ook niet betwist. Gelet hierop is er volgens de voorzieningenrechter vooralsnog voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening. 3.3 De voorzieningenrechter zal daarom een belangenafweging moeten maken tussen het belang van verzoeker en het belang van verweerder. Bij deze belangenafweging betrekt de voorzieningenrechter de mate van twijfel aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit en het nadeel van de ene partij in verhouding tot dat van de andere partij. Daar zal blijken of het spoedeisend belang van verzoeker voldoende zwaarwegend is. 3.4 Verweerder stelt dat zijn belang is gelegen in bescherming van de openbare orde. Verzoeker betwist dat er concrete aanwijzingen zijn dat hij met zijn komst naar Nederland een gevaar vormt voor de openbare orde. Daarom zal nu eerst (de mate van twijfel aan) de rechtmatigheid van het bestreden besluit worden besproken. Kan worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit? Standpunt verweerder 4. Verweerder heeft verzoeker voor de duur van twee jaar gesignaleerd in het SIS II-systeem omdat hij volgens verweerder een bedreiging voor de openbare orde vormt. Verweerder heeft op 19 oktober 2022 een e-mail van de gemeente Amsterdam ontvangen waarin staat dat de driehoek van Amsterdam zich zorgen maakt over de aangekondigde komst van verzoeker naar Amsterdam om op 6 november 2022 een toespraak te houden tijdens een door Samen voor Nederland georganiseerde demonstratie. Daarop is informatie ingewonnen en heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op het DRIO-informatierapport van 31 oktober 2022, de ‘Fenomeenschets van bijeenkomsten met complotdenkers’ van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) van 21 oktober 2022 en het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland nr. 56 van de NCTV van 21 april 2022. Uit het DRIO-informatierapport blijkt dat de bij de politie bekende informatie over verzoeker de zorg rechtvaardigt dat zijn voordracht in de Nederlandse context spanningen tussen bevolkingsgroepen kan veroorzaken en hij daarmee de openbare orde en openbare rust kan verstoren. Volgens verweerder is gebleken dat verzoeker al jaren internationaal bekend staat als verspreider van complottheorieën, zoals de theorie dat de wereld wordt geregeerd door reptielen en/of een deels Joodse elite die een almachtige geheime wereldregering vormt en in alle geledingen van de samenleving actief is. Uit het DRIO-informatierapport komt naar voren dat verzoekers deelname aan de demonstratie bij diverse organisaties, waaronder Joodse organisaties en linkse groeperingen tot verontwaardiging heeft geleid en dat er meerdere tegendemonstaties zijn aangekondigd waarbij het niet ondenkbaar is dat de voordracht van verzoeker tot een verstoring van de openbare orde zal leiden. De fysieke aanwezigheid van verzoeker kan aanleiding geven tot sterkere reacties vanuit de tegendemonstratie. Het dreigingsbeeld van de NCTV doet verslag van een beweging die wordt gevoed door compromisloze complottheorieën waarin vooraanstaande personen, bewindvoerders en ambtenaren worden gedehumaniseerd en democratische beginselen worden afgewezen. De NCTV beschrijft dat dit bijvoorbeeld online gebeurt door kwalificaties als ‘reptielen’, ‘bloeddrinkende pedofielen’, vijanden van de vrijheid’, en ‘verdedigers van de dictatuur’, en dat deze beweging stelt dat er in Nederland een elite aan de macht is die een onderdrukkende agenda doorvoert, waarmee men in oorlog is en waartegen verzet nodig is. Complottheorieën, antisemitisme en Holocaustontkenning kunnen volgens de NCTV de democratische rechtsstaat schaden. Enerzijds omdat de legitimiteit van gezagsdragers wordt ondermijnd, anderzijds omdat in nationale wetgeving en internationale verdragen een verbod is vastgelegd op het aanzetten tot haat. Verweerder ziet grond om aan te kunnen nemen dat het uitdragen van het gedachtegoed van verzoeker kan aanzetten tot meer geweld tegen politici als zij niet meer als mensen worden gezien. Het belang van de openbare orde en de openbare veiligheid dienen volgens verweerder te prevaleren boven de belangen van verzoeker die gediend zijn met een (tijdelijk) verblijf in Nederland en de vrijheid van meningsuiting. Niet gebleken is dat de signalering een ongerechtvaardigde inbreuk maakt op zijn privé-, familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Er is volgens verweerder ook niet gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden op grond waarvan de signalering achterwege moet blijven. De signalering leidt ook niet tot onevenredige gevolgen omdat verzoeker niet belemmerd wordt om zijn voordrachten online uit te dragen en op die manier gebruik te maken van zijn vrijheid van meningsuiting. Standpunt verzoeker 4.1 Verzoeker voert in de kern aan dat niet is voldaan aan de vereiste criteria voor opname in het SIS II-systeem. Hiervoor geldt volgens hem een erg hoge lat. Verzoeker stelt onder verwijzing naar het arrest E.P. van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof van Justitie) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 september 2020, dat alvorens iemand zonder voorafgaande strafrechtelijke veroordeling gesignaleerd kan worden op grond van gevaar voor de openbare orde of veiligheid, sprake moet zijn van een gesubstantieerde en objectiveerbare verdenking. In samenhang met artikel 24, tweede lid, onder a en b, van de SIS II-verordening moet er sprake zijn van begane strafbare feiten of gegronde redenen om aan te nemen dat er een ernstig misdrijf is gepleegd of duidelijke aanwijzingen dat dergelijke feiten gepleegd zullen worden. Voor het vereiste van verdenking van een gepleegd feit of nog te plegen feit zijn concordante, objectieve en nauwkeurige elementen vereist. Verweerder stelt slechts dat het niet ondenkbaar is dat de komst van verzoeker zal leiden tot een verstoring van de openbare orde. Dit is een veel te licht criterium. Daarbij komt dat verzoeker nooit is veroordeeld voor een misdrijf en er zijn geen gegronde redenen om aan te nemen dat verzoeker voornemens is die te gaan plegen. Het bestreden besluit beperkt zich tot algemeenheden dat complottheorieën, antisemitisme en Holocaustontkenning strafbaar zijn gesteld in nationale wetgeving en internationale verdragen als aanzetten tot haat. De suggestie dat verzoeker zou aanzetten tot haat ontbeert elke substantiering en concretisering. Verzoeker vindt het merkwaardig dat hij als antisemitisch en als Holocaustontkenner wordt bestempeld op basis van een interpretatie en verkeerde aannames die in het DRIO-informatierapport staan. Verder voert verzoeker aan dat verweerder misbruik van zijn bevoegdheden maakt, dat de signalering niet evenredig en proportioneel is en dat verweerder hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om op grond van artikel 4:8 van de Awb een zienswijze in te dienen alvorens het bestreden besluit te nemen. Oordeel van de voorzieningenrechter Aan welke maatstaf moet worden getoetst? 5. Voorop staat dat hier als uitgangspunt moet worden genomen dat verzoeker een zogenoemde derdelander is, een onderdaan van een land dat geen lid is van de Europese Unie, die zich op dit moment bevindt in het Verenigd Koninkrijk en op grond van zijn Britse nationaliteit, zonder visum Nederland in kan reizen. 5.1 Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter ligt de lat om aan te kunnen nemen dat in een dergelijke situatie bij een vreemdeling concrete aanwijzingen zijn dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde niet zo hoog als verzoeker stelt (zie hiervoor onder 4.1). Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de overwegingen van het arrest E.P. waar verzoeker naar verwijst (punten 48 en 49) en de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2020 na de beantwoording van de prejudiciële vraag in het arrest E.P., zien op de situatie dat een niet-visumplichtige derdelander al verblijft op het grondgebied van een lidstaat van het Schengengebied en de vreemdeling vervolgens wordt verdacht van het plegen van een strafbaar feit. Echter, als wordt gekeken naar de bepalingen en de doelstellingen van de Schengengrenscode die zien op niet-visumplichtige derdelanders die zich nog niet op het grondgebied van een van de Schengenlanden bevinden en nog niet van een strafbaar feit worden verdacht, dan is het volgende van belang. 5.2 Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Schengengrenscode, gelden – voor zover hier van belang – de volgende toegangsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen: “1. Voor een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen, waarbij voor iedere dag van het verblijf de 180 voorafgaande dagen in aanmerking worden genomen, gelden voor onderdanen van derde landen de volgende toegangsvoorwaarden: (…)
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.