RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 22/5324 uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 december 2022 in de zaak tussen V.O.F. Dijkshoorn, te Bleiswijk, verzoekster (gemachtigde: mr. J. van Groningen), en het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn (het college). (gemachtigde: R.M. Klerks) Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats] (belanghebbende). (gemachtigde: mr. G.G. Kranendonk) Inleiding In deze uitspraak beslist de voorlopige voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van het college van 28 juli 2022 (bestreden besluit). Het college heeft met het besluit van 20 januari 2022 (primair besluit) verzoekster gelast om het planologisch strijdige gebruik van het perceel met kadastraal kenmerk [kadastraal nummer] gelegen aan de [adres] [nummers 1] te [plaats] (het perceel) gestaakt te houden en binnen 6 weken de oorspronkelijke toestand aldaar te herstellen. Met het besluit van 16 februari 2022 heeft het college de aan last B verbonden begunstigingstermijn, onder voorwaarden, verlengd tot de uitspraak op het ingediende bezwaar. Met het bestreden besluit is het college bij dit besluit gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld. Met het besluit van 2 september 2022 heeft het college de aan last B verbonden begunstigingstermijn, onder voorwaarden, verlengd tot de uitspraak op het ingediende verzoek om voorlopige voorziening. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 oktober 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [A], namens verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, [B], als waarnemer van de gemachtigde van het college en [C], toezichthouder van de gemeente. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het verzoek aangehouden tot de datum van de vervolgzitting, omdat gebleken is dat de voor een mogelijke oplossing van het geschil relevante personen niet ter zitting aanwezig waren. Verzoekster heeft nadere stukken overgelegd. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 december 2022 wederom op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [D], de gemachtigde van verzoekster, de gemachtigde van het college, mr. [E], teamleider veiligheid en inspectie, [C] en de gemachtigde van belanghebbende. Totstandkoming van het besluit 1.1 Naar aanleiding van een handhavingsverzoek van de derdepartij heeft een toezichthouder van de gemeente op 14 januari 2022 vastgesteld dat er op het perceel werkzaamheden worden verricht die - met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid - worden verricht ten behoeve van een op te richten composteerinrichting, wat in strijd is met de bestemming die op het perceel rust. Op 17 januari 2022 heeft het college spoedeisende bestuursdwang toegepast door het per direct (laten) stilleggen van de werkzaamheden op het perceel. 1.2 In het primaire besluit heeft het college verzoekster gelast om: A. alle met de bestemming van het perceel strijdige handelingen gestaakt te houden en het gebruik van het perceel in overeenstemming te houden met de verbeelding (plankaart) en planregels (voorschriften) van de vigerende ‘Beheersverordening Bentwoud 2018’. Indien verzoekster zich hier niet aan houdt, dan verbeurt zij per direct een dwangsom, eenmalig en ineens, van € 30.000,-; B. binnen 6 weken het uiterlijk aanzien van het perceel in overeenstemming te (laten) brengen en houden met de situatie zoals die was voordat er een aanvang werd genomen met de activiteiten die door de toezichthouders zijn beschreven in hun constateringsrapporten. Dit houdt in dat het terrein weer geëgaliseerd dient te worden met gebruikmaking van de aarde c.q. de grond die vrij is gekomen bij de (graaf)werkzaamheden op het perceel. Er mag geen sprake zijn van de opslag van aarde, zand en andere bodemverharding in de vorm van hopen en bergen of anderszins afwijkend van het natuurlijk maaiveld ter plaatse. Indien verzoekster hier geen gevolg aan geeft, dan verbeurt zij na het verstrijken van deze termijn een dwangsom, eenmalig en ineens van € 30.000,-. 1.3 Op 8 februari 2022 heeft verzoekster een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor een paardenrijbak en galoppeerbaan en een aanvraag voor een landschapsinrichtingsplan met behulp van een grondwal. Beide aanvragen zijn in mei 2022 buiten behandeling gesteld. 1.4 Op 20 maart 2018 is het ontwerpbestemmingsplan “Hogeveenseweg 57, 59 en 87 Benthuizen” vastgesteld. Dit bestemmingsplan maakt het oprichten van een composteerinrichting en een manege met bedrijfswoning mogelijk aan de [adres] [nummers 2] en het oprichten van kleinschalige recreatievoorzieningen aan de [adres] 87 in Benthuizen. De gemeenteraad heeft op 17 februari 2022 geweigerd het bestemmingsplan vast te stellen voor zover het gaat om het perceel [adres] [nummers 2]. 2. Met het bestreden besluit heeft het college het primaire besluit, conform het advies van de Commissie bezwaarschriften van 28 juli 2022 in stand gelaten. Het college stelt zich op het standpunt dat op het perceel de bestemming “Recreatiebos” rust en dat een paardenrijbak daarin niet past. Of de verrichte werkzaamheden nu ten dienste staan van een paardenmanege of een composteerinrichting, in beide gevallen is er volgens het college sprake van strijdigheid met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het college wenst niet mee te werken aan legalisatie van deze activiteiten. Ook doen zich geen bijzondere omstandigheden voor die nopen om af te zien van handhavend optreden, aldus het college. De gemeenteraad heeft bij het gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan de bestemming ‘Sport-Manege’ geschrapt. Het college erkent dat hij tot nu toe een positieve insteek heeft gehanteerd, maar de gemeenteraad heeft het primaat in planologische besluitvorming. Dat verzoekster beroep heeft ingesteld tegen het door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan maakt niet dat het haar vrijstaat om, vooruitlopend op de door haar gewenste uitkomst van de beroepsprocedure de paardenrijbak vast aan te leggen. Beoordeling door de voorzieningenrechter 3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 4.1 Gebleken is dat de lasten A en B verbonden dwangsommen van € 30.000,- nog niet zijn verbeurd. Verzoekster kan in totaal dus € 60.000,- aan dwangsommen verbeuren. De voorzieningenrechter acht dan ook voldoende spoedeisend belang aanwezig. Daarom is voldaan aan de voorwaarden om het verzoek inhoudelijk te beoordelen. 4.2 De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Om dit te beoordelen beantwoordt zij aan de hand van de argumenten die verzoekster heeft aangevoerd, de zogenoemde gronden, of het bestreden besluit naar verwachting stand kan houden. 5. Verzoekster voert aan dat handhaving hier onevenredig is, aangezien het college, gezien de voorgeschiedenis, een manage ter plaatse passend vindt. De handhaving voldoet niet aan de criteria geschikt, noodzakelijk en evenwichtig, zoals geformuleerd in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 februari 2022. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 5 januari 2011 over het voorgaande bestemmingsplan, moet een nieuw bestemmingsplan worden vastgesteld, waarin de activiteiten positief worden bestemd. Bovendien verschilt de ruimtelijke uitstraling van het perceel niet van die in de oude situatie en gedoogt het college de manege ter plaatse al ruim 10 jaar. Daarnaast is in het verleden wel een omgevingsvergunning verleend voor een stapmolen op het perceel. Het is inconsequent om de manege nu niet meer toe te staan. Het college weigert ter onrechte af te wijken van het geldend planologisch kader. 6.1 Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo, voor zover hier van belang, is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk, en voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan of een beheersverordening. 6.2 Op het gedeelte van het perceel waar de werkzaamheden plaatsvonden geldt -blijkens www.ruimtelijkeplannen.nl - de ‘Beheersverordening Bentwoud 2018’ (de beheersverordening) en geldt de bestemming ‘Recreatiebos’. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de beheersverordening zijn met inachtneming van het bepaalde in deze beheersverordening de regels en verbeelding van het bestemmingsplan Bentwoud, zoals vastgesteld door de raad van de voormalige gemeente Rijnwoude op 11 december 2008, van overeenkomstige toepassing. Op grond van artikel 3.1 van het bestemmingsplan “Bentwoud” zijn de gronden op de verbeelding aangewezen voor Recreatiebos (RB) bestemd voor: a. bosgebied; b. gras- en ruigtegebieden; c. het behoud, herstel en ontwikkeling van de actuele en potentiële natuur- en landschapswaarden; d. kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen; e. speelweides en speelbos; f. herdenkingsbos; g. houtoogst als vorm van medegebruik; h. tijdelijke opslag van bagger als gevolg van normaal onderhoud en beheer; alsmede voor: i. wandel-, fiets- en ruiterpaden en water ten behoeve van wateraanvoer en -afvoer, waterberging en sierwater. Op grond van artikel 13.1 (lees: 14.1) van die planregels is het verboden gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, de doeleindenomschrijving en de overige voorschriften. In artikel 13.2 (lees: 14.2) van de planregels wordt - voor zover van belang - onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan onbebouwde gronden te gebruiken of te laten gebruiken als opslagplaats voor (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.