RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 21/4519 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 november 2022 in de zaak tussen het Ministerie van Defensie, te Den Haag, eiser (gemachtigden: mr. M.L. Beukhof en J. Leijdes), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: T. Vallinga). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij], ex-werknemer van eiser (gemachtigde: mr. Th. Van Helvoort). Procesverloop Bij besluit van 14 december 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat de ex-werknemer vanaf 20 november 2020 recht heeft op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 11 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De zitting heeft op 27 september 2022 op digitale wijze plaatsgevonden. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en [A] (voormalige gemachtigde van derde-partij). Overwegingen 1. De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. De ex-werknemer is met ingang van 29 oktober 2018 aangesteld bij eiser als militair ambtenaar in opleiding. In het kader van zijn opleiding is de ex-werknemer geplaatst aan boord van de [marinefregat 1] . Op 28 juli 2020 is vastgesteld dat de ex-werknemer zijn leertakenboek niet op voldoende wijze en binnen de gestelde tijd afrondde en dat er twijfel bestond aan zijn opleidbaarheid. Daarom is een Commissie van Advies (Adviescommissie) ingesteld om onderzoek te verrichten naar de feiten en omstandigheden die daar mogelijk aan ten grondslag liggen en advies uit te brengen over ontheffing uit de opleiding, wijziging van de bestemming en eventuele restitutie van de opleidingskosten. De Adviescommissie heeft haar bevindingen neergelegd in een rapport van 12 juni 2020 (Commissierapport) en heeft geadviseerd om de ex-werknemer uit de opleiding te ontheffen, de bestemming niet te wijzigen en geen restitutieverplichting op te leggen. Eiser heeft de ex-werknemer een tweede kans geboden, inhoudende een proefplaatsing aan boord van de [marinefregat 2] voor één maand tot en met 31 oktober 2020. Bij besluit van 13 november 2020 (ontslagbesluit) is aan de ex-werknemer per 20 november 2020 eervol ontslag verleend uit de initiële opleiding op grond van artikel 39, tweede lid onder h, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR). 2.1 Op 13 november 2020 heeft de ex-werknemer een WW-uitkering aangevraagd. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder het primaire besluit genomen. 2.2 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de ex-werknemer recht heeft op een WW-uitkering omdat er geen sprake is van verwijtbare werkloosheid. De aard en ernst van de gedragingen van de ex-werknemer geven voldoende aanleiding om te concluderen dat in objectieve zin sprake is van dringende redenen voor ontslag. Omdat de gedragingen die aan het ontslag ten grondslag liggen niet voldoende nauwkeurig zijn omschreven in het ontslagbesluit, wordt echter niet aan het subjectiviteitsvereiste voldaan. Verweerder merkt in dit verband op dat eiser de ex-werknemer een tweede kans heeft gegeven. Bij het ontslagbesluit is aan de ex-werknemer eervol ontslag verleend op de grond dat hij uit de opleiding is ontheven vanwege het niet voldoen aan de opleidingseisen. Het ontslagbesluit vermeldt niet dat het is gebaseerd op het Commissierapport. De vermelding in het ontslagbesluit dat de ex-werknemer niet aan de opleidingseisen voldoet is voor deze onvoldoende duidelijk om zich te beraden of hij de opgegeven dringende redenen als juist erkent en dringend ervaart. De dringende redenen kunnen evengoed gelegen zijn in het gedrag van de ex-werknemer op het tweede schip. Verweerder concludeert dat de ontslagroute in dit geval in de weg staat aan het aannemen van verwijtbare werkloosheid. Verder is intrekking met terugwerkende kracht van de reeds betaalde WW-uitkering volgens verweerder niet aan de orde, omdat dringende redenen voor ontslag ontbreken. 3. Eiser betoogt dat de ex-werknemer geen recht heeft op een WW-uitkering. Volgens eiser liggen aan het ontslagbesluit dringende redenen voor ontslag ten grondslag, zodat wel degelijk sprake is van verwijtbare werkloosheid. Deze redenen zijn benoemd in het Commissierapport. Naar de mening van eiser past verweerder een onjuiste toets toe in dit kader. Volgens eiser volgt uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 7 november 2018 dat het subjectiviteitsvereiste van artikel 7:677, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) buiten beschouwing kan worden gelaten zodat geen mededeling van de dringende reden voor ontslag behoeft te worden gedaan. Daarnaast is in artikel 7:678 van het BW ten aanzien van de dringende reden niet opgenomen dat deze medegedeeld moet worden. Verder volgt uit het vereiste van een ‘kenbare bedoeling’ – uit het toetsingskader zoals door de CRvB is weergegeven in onder meer de uitspraak van 7 november 2018 – niet dat mededeling van de dringende reden is vereist. De kenbare bedoeling van een werkgever maakt deel uit van de materiële beoordeling. Van een vormvereiste zoals het mededelen van de dringende reden is geen sprake. Het was voor ex-werknemer kenbaar dat ontslag zou volgen als hij zijn gedrag niet zou verbeteren, omdat ex-werknemer mondeling en schriftelijk (bij de voorwaardelijke plaatsing op de [marinefregat 2] ) is gewaarschuwd dat ontslag zou volgen bij hetzelfde gedrag. Het zeer ernstige bedrag is op de [marinefregat 2] zelfs verergerd, omdat de ex-werknemer zich verbaal agressief gedroeg tegen collega’s. Naar aanleiding van dit verbaal agressieve gedrag is de ex-werknemer van boord gehaald en heeft verlof gekregen tot het moment van ontslag. Het AMAR biedt niet de mogelijkheid om een militair op staande voet te ontslaan. De vraag of sprake is van verwijtbare werkloosheid is afhankelijk van de vraag of de gedragingen van de militair een dringende reden voor ontslag opleveren. Eiser wijst er daarnaast op dat het voor het aannemen van verwijtbare werkloosheid niet nodig is dat een werkgever strafontslag heeft verleend. Het aan de ex-werknemer verleende eervol ontslag betekent daarom niet dat geen sprake kan zijn van een dringende reden voor ontslag. 4. De rechtbank overweegt als volgt. 4.1 Ingevolge artikel 24, eerste lid en onder a, van de WW voorkomt de werknemer dat hij werkloos wordt. 4.2 Ingevolge artikel 24, tweede lid en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt. 4.3 Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de WW brengt het Uwv een bedrag blijvend op de uitkering in mindering indien de werknemer de verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. 4.4 Ingevolge artikel 7:677, eerste lid, van het BW is ieder der partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. 4.5 Ingevolge artikel 7:678, eerste lid, van het BW worden voor de werkgever als dringende redenen in de zin van het eerste lid van artikel 677 beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. 4.6 Ingevolge artikel 7:678, tweede lid en onder k, van het BW wordt een dringende reden onder meer aanwezig geacht wanneer een werknemer grovelijk de plichten veronachtzaamt, welke de arbeidsovereenkomst hem oplegt. 5.1 Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB moet, gelet op de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, een materiële beoordeling plaatsvinden van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt. Daarbij is artikel 7:678 van het BW de maatstaf en moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Tot de elementen die moeten worden gewogen, behoren de aard en ernst van de gedraging(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.