Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2022:13874
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 21/7153 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2022 in de zaak tussen [eiser] h.o.d.n. [handelsnaam] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen), en de burgemeester van Den Haag (verweerder) (gemachtigde: mr. S. Buvelot).
Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit tot sluiten van het bedrijfspand van eiser voor een periode van zes maanden.
Met het bestreden besluit van 29 september 2021 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
Verweerder heeft op het beroepschrift met een verweerschrift gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 30 november 2022 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De gemachtigde van verweerder werd vergezeld door [naam] , brigadier van politie (verbalisant en taakaccenthouder hennep bij de politie in Den Haag).
Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
1.1.
Eiser huurde van [bedrijfsnaam] B.V. een bedrijfspand aan de [adres] te Den Haag (hierna: het bedrijfspand). Volgens informatie van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel was het bedrijf van eiser ‘ [handelsnaam] ’ gevestigd op dit adres. Het bedrijf stond in het Handelsregister ingeschreven als “tuincentrum” en “groothandel in bloemen en planten”.
1.2.
Op 16 februari 2021 is een melding ontvangen van malafide bedrijvigheid in het bedrijfspand. De politie heeft in de periode tussen 11 maart 2021 en 13 maart 2021 een aantal personen gecontroleerd die het bedrijfspand bezochten. Uit het proces-verbaal van de politie blijkt dat bij deze controles de bezoekers hennepgerelateerde goederen bij zich hadden, die gebruikt worden bij de professionele teelt van hennep en dat deze goederen niet te koop zijn bij reguliere tuincentra. Op 7 april 2021 werd in het bedrijfspand een grote hoeveelheid stoffen en voorwerpen aangetroffen die in combinatie met elkaar, ernstig doen vermoeden dat ze bestemd zijn om in de uitoefening van een beroep- of bedrijf en/of op grote schaal met hennepteelt, opzettelijk in strijd met de Opiumwet te handelen. Verweerder heeft, op basis van het proces-verbaal en op grond van artikel 5:21 in samenhang gelezen met artikel 5:28 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 13b van de Opiumwet, eiser bij besluit van 20 mei 2021 (het primaire besluit) gelast het bedrijfspand te sluiten en gesloten te houden met ingang van 27 mei 2021 voor een periode van zes maanden.
1.3.
Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft het primaire besluit opgeschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.
Bij uitspraak van 16 juni 2021 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen.
1.4.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard, overeenkomstig het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van 26 september 2021.
Wat stellen partijen in beroep?
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5.1.
Verweerder heeft zich op grond van de bevindingen uit het proces-verbaal en de bestuurlijke rapportage, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van de in het pand aangetroffen voorwerpen en stoffen wegens hun aard, hoeveelheid en combinatie, in samenhang met andere feitelijkheden, kan worden geweten of ernstig kan worden vermoed, dat die bestemd zijn voor beroeps- of bedrijfsmatige en/of grootschalige hennepteelt. Verweerder was dan ook bevoegd om op grond van artikel 13b van de Opiumwet de maatregel van tijdelijke sluiting van het bedrijfspand op te leggen.
5.2.
Verweerder heeft de sluiting van het bedrijfspand noodzakelijk kunnen vinden voor de bescherming van het woon- en leefklimaat in de [straatnaam] en het herstel van de openbare orde. De omstandigheden van eiser zijn kenbaar betrokken bij de beoordeling. Niet is gebleken dat de nadelige gevolgen voor eiser onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. De maatregel tot tijdelijke sluiting strekt er slechts toe overtredingen van de Opiumwet, als hier aan de orde, te beëindigen en te voorkomen. De enkele omstandigheid dat de sluiting een half jaar duurde, maakt de sanctie niet punitief.
Dat aan eiser als gevolg van de tijdelijke sluiting een vergunning voor zijn bedrijfsmatige activiteiten definitief is geweigerd, is niet aannemelijk gemaakt. Tegen een afwijzing van een vergunningaanvraag staan rechtsmiddelen open en eiser heeft er zelf voor gekozen de door hem ingediende vergunningaanvraag niet door te zetten.
Dat eiser door de tijdelijke sluiting van het bedrijfspand negatieve financiële gevolgen heeft ondervonden, is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan verweerder van het opleggen van de maatregel had moeten afzien.
Gezien het vorenstaande heeft verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet gebruik kunnen maken.
Verder heeft de verbalisant op zitting verklaard dat de inbeslagneming van de goederen door de politie en met toestemming van de officier van justitie heeft plaatsgevonden. Eiser was bij de inbeslagneming aanwezig en heeft een beslaglijst, waarin de inbeslaggenomen goederen zijn vermeld, ontvangen samen met de kennisgeving van inbeslagneming. Door eiser is dit niet betwist.
Gelet op het voorgaande had het voor eiser duidelijk moeten zijn dat de inbeslagneming van de goederen door de politie in het kader van een strafrechtelijk traject is gebeurd. Eiser had zich voor de teruggave van de goederen tot de officier van justitie kunnen wenden. Dat eiser zich hierover niet heeft laten informeren, komt voor zijn eigen rekening en risico. Dat bij de controle door het HEIT ook gemeenteambtenaren, in het kader van een bestuursrechtelijk handhavingstraject, aanwezig waren doet hier niet aan af.
Conclusie 7. Het beroep is ongegrond.
Beslissing De rechtbank
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Verschoor, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2022. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RBDHA:2021:6159.
RIS306651 (vindplaats op https://denhaag.raadsinformatie.nl).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:294.
ABRvS van 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2523.
ABRvS van 21 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2494, r.o. 9.1.
Vergelijk ABRvS van 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:617, r.o. 7.1.2.