ECLI:NL:RBDHA:2022:14288
Rechtbank DEN Haag Bestuursrecht zaaknummer: SGR 22/7191 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 december 2022 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker], te [woonplaats], verzoeker (gemachtigde: mr. W.G.H. van de Wetering), en de Burgemeester van Den Haag, verweerder (gemachtigde: mr. E.P. Alonso).
Procesverloop Bij besluit van 2 november 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende het bevel dat de horeca-inrichting van verzoeker voor een periode van drie maanden wordt gesloten. Daarnaast zijn de exploitatievergunning, waaraan een aanwezigheidsvergunning voor twee kansspelautomaten gekoppeld zit, en de Alcoholwetvergunning ingetrokken.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 december 2022 op zitting behandeld. Verzoeker was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter op 5 december 2022 om 15.00 uur uitspraak gedaan.
Overwegingen 1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Waar gaat de zaak over?
Een samengeperst blok hasj (67,7 gram);
Meerdere gripzakjes met blokjes hasj, (brutogewicht 0,4 - 1,7 gram);
Meerdere gripzakjes wiet (brutogewicht 1,5 – 15 gram).
Verzoeker had € 1.720,- aan bankbiljetten bij zich.
Het oordeel van de voorzieningenrechter 4. De voorzieningenrechter oordeelt, anders dan verzoeker, dat er geen reden bestaat om te twijfelen aan de waarnemingen waarop verweerder het besluit heeft gebaseerd.
Voor zover er een discrepantie bestaat tussen de twee bestuurlijke rapportages over de plaats van waaruit de waarnemingen zijn gedaan, doet dit niet af aan het gegeven dat de medewerker van de Haagse Pandbrigade heeft gezien dat er een witte plastic tas op het daklicht van de horeca-inrichting werd gelegd. Daarbij heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat het verzoeker was die de witte plastic tas op het daklicht plaatste. De verklaring van verzoeker dat vanuit een hoger gelegen woning de tas via het schuin geopende daklicht op het traliewerk onder het daklicht was gevallen en daar was blijven liggen en verzoeker de tas op het dak wilde neerleggen is niet geloofwaardig.
Vanwege de aangetroffen handelshoeveelheid drugs en de ernstige verstoring voor de openbare orde die dit met zich brengt, heeft verweerder zich bevoegd mogen achten om over te gaan tot sluiting van de horeca-inrichting. Dit geldt ook voor het intrekken van de verleende vergunningen.
Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. B.D.A. Mantingh, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2022 om 15.00 uur. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.
Artikel 174, eerste lid, van de Gemeentewet en artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, en artikel 5:21 in samenhang met artikel 5:28 van de Algemene wet bestuursrecht, en artikel 31, eerste lid, aanhef en onder c, van de Alcoholwet, en artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder a, b, c en f, van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Den Haag.