RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: AWB 22/1863 uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 juli 2022 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. J.W. Aartsen), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. T. Pourjalili). Procesverloop In het besluit van 15 april 2021 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf bij familie- of gezinslid [A] ’ afgewezen. In het besluit van 15 maart 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Partijen hebben toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om het onderzoek ter zitting achterwege te laten. Overwegingen
- Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
- Bij schrijven van 21 juli 2022 heeft verweerder verzocht om aanhouding van de behandeling van het beroep op de zitting. Verweerder acht het gelet op de gronden van beroep, de feiten en omstandigheden van de zaak en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022 noodzakelijk om verzoeker alsnog te horen op zijn bezwaar. Verweerder is daarom voornemens om zo snel mogelijk een hoorzitting te plannen. Vanwege dit verzoek om aanhouding, heeft verweerder in zijn brief van 22 juli 2022 meegedeeld dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
- De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft en kan worden uitgezet. Met het instellen van beroep tegen het bestreden besluit wordt niet bereikt dat hij niet kan worden uitgezet. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder niet zelf de bevoegdheid heeft de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op te schorten.
- Nu tussen partijen niet langer in geschil is dat op dit moment van uitzetting van verzoeker moet worden afgezien, is het verzoek kennelijk gegrond. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting wordt verboden tot vier weken nadat op het beroep is beslist.
- Het beroep wordt aangehouden totdat verweerder een hoorzitting heeft gehouden en een nieuwe beslissing heeft genomen op het bezwaar van verzoeker tegen de afwijzing op zijn aanvraag.
- De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).
- De voorzieningenrechter ziet ook aanleiding te bepalen dat verweerder aan verzoeker het griffierecht vergoedt. Beslissing De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe; - verbiedt verweerder verzoeker uit Nederland te verwijderen tot vier weken nadat op het beroep is beslist; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 759,-; - bepaalt dat verweerder aan verzoeker het griffierecht vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.P. Stehouwer, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 juli
- griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. ECLI:NL:RVS:2022:1918.