RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 21/6588 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 december 2022 in de zaak tussen [eiseres], te [woonplaats], eiseres (gemachtigde: Ö. Gürler) en de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb), verweerder (gemachtigde: J.Y. van den Berg). Procesverloop Bij besluit van 17 maart 2021 (primair besluit I) heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) herzien over de periode januari 2019 tot en met december 2019. Bij afzonderlijk besluit van 17 maart 2021 (primair besluit II) is de volgens verweerder door eiseres in 2019 teveel ontvangen AIO-aanvulling ten bedrage van € 954,87 teruggevorderd. Bij besluit van 1 oktober 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit inzake de herziening ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2022. Eiseres is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1 Eiseres ontvangt naast haar AOW-uitkering een AIO-aanvulling die bij besluiten van 5 februari 2019, 24 mei 2019 (naar aanleiding van het overlijden van haar echtgenoot), 30 oktober 2019 en 9 maart 2020 is herzien. Op 9 maart 2021 heeft verweerder de door hem verzochte kopie van de aangifte inkomstenbelasting 2019 en de voorlopige en definitieve aanslagen van de inkomstenbelasting 2019 van eiseres ontvangen. Naar aanleiding van deze documenten heeft verweerder de primaire besluiten genomen. 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de primaire besluiten gehandhaafd. Verweerder stelt zich hierbij op het standpunt dat het bedrag van € 1.028 aan inkomstenbelasting en premie volksverzekering, dat eiseres van de Belastingdienst over 2019 heeft teruggekregen, als inkomen moet worden aangemerkt. De teruggave moet daarom in mindering worden gebracht op de AIO-aanvulling. De teruggave ziet niet op niet-vergoede uitgaven voor ziekte, omdat eiseres de teruggave ook zou hebben ontvangen indien er geen sprake zou zijn van zorgkosten, aldus verweerder. 3. Eiseres betoogt dat de teruggave over 2019 niet in mindering moet worden gebracht op haar AIO-aanvulling. Eiseres stelt allereerst dat verweerder ten onrechte de (gronden van) afwijzing niet vooraf aan haar kenbaar heeft gemaakt, zodat zij door de primaire besluiten onaangenaam was verrast. Ook is aan eiseres het verslag van de hoorzitting niet voorgelegd voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit, maar pas als bijlage bij het bestreden besluit aan eiseres verstrekt. Inhoudelijk stelt eiseres dat de teruggave van € 1.028 een vergoeding betreft in de zin van artikel 31, tweede lid, onder f, van de Participatiewet (Pw) voor niet-vergoede uitgaven voor ziekte. Eiseres heeft deze vergoeding ontvangen van de belastingdienst voor niet-vergoede medicijnen, dieetkosten en extra kosten van wassen en kleding in verband met ziekte. De vergoeding behoort daarom niet tot de middelen die in mindering worden gebracht op de AIO-aanvulling. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst eiseres naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 maart 2010 en de websites ‘meerkosten.nl’ en ‘overlevingsgids.dedes.nl/participatiewet/teruggave’. Verweerder voert volgens eiseres ten onrechte aan dat eiseres dezelfde teruggave zou hebben ontvangen indien uit wordt gegaan van de inkomsten in box 1 zonder aftrek van zorgkosten. Dit is een ‘als dan’ redenering die afwijkt van het besluit van de inspecteur van de Belastingdienst en bovendien is het nemen van besluiten over belastingteruggave voorbehouden aan de inspecteur van de Belastingdienst. Verder heeft eiseres hogere zorgkosten, maar krijgt zij deze niet geheel vergoed omdat de teruggave van de zorgkosten niet hoger kan zijn dan de ingehouden loonheffing. 4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling. Voornemen afwijzing 4.1 Eiseres stelt dat verweerder, nadat eiseres haar zienswijze op de hoorzitting had toegelicht, het voornemen tot herziening aan haar kenbaar had moeten maken. De rechtbank overweegt dat een bestuursorgaan op grond van artikel 4:8, eerste lid, aanhef en onder a en b, Algemene wet bestuursrecht (Awb), voordat zij een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, die belanghebbende in de gelegenheid stelt zijn zienswijze naar voren te brengen indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.