RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL22.12856 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J. Kai Kai). Procesverloop Bij besluit van 1 juli 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Verweerder heeft op 14 juli 2022 de maatregel van bewaring opgeheven. De rechtbank heeft het beroep op 19 juli 2022 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] . 2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. 3. Eiser voert aan dat in de maatregel van bewaring onvoldoende is gemotiveerd waarom verweerder meent dat er sprake is van zicht op uitzetting. Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:698) waarin is geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt. Sindsdien zijn er geen andere uitspraken meer gedaan over het zicht op uitzetting naar Marokko. In het formulier M109 zijn alleen de standaardzinnen opgenomen dat niet is gebleken dat eiser de nationaliteit heeft van een staat die geen medewerking verleent aan gedwongen terugkeer of waarvoor een vertrekmoratorium of een andere beleidsmatige belemmering voor de uitzetting geldt en dat niet is gebleken dat het (mogelijke) land van herkomst geen (vervangende) reisdocumenten zal verstrekken voor gedwongen terugkeer. Maar dat is volgens eiser precies waar het hier om gaat: Marokko verleent geen medewerking aan gedwongen terugkeer en verstrekt geen (vervangende) reisdocumenten. Verweerder had moeten motiveren waarom in dit geval toch zicht op uitzetting bestaat, ondanks de Afdelingsuitspraak van 2 april 2021. Eiser stelt zich niet op het standpunt dat de bewaring onrechtmatig is geweest in verband met het ontbreken van zicht op uitzetting maar meent dat de oplegging van bewaringsmaatregel onvoldoende is gemotiveerd en dat hem om die reden schadevergoeding toekomt vanaf de aanvang van de maatregel op 1 juli 2022. 4. De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eiser een standaardmotivering van het zicht op uitzetting naar Marokko in de maatregel van bewaring onvoldoende is. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is voor zicht op uitzetting mede bepalend of de autoriteiten van het land van herkomst van de vreemdeling voldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen van de voor uitzetting benodigde documenten. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 2 april 2021 overwogen dat er in 2020 geen laissez passers (lp’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.