RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 22/3731 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 november 2022 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, verweerder (gemachtigde: mr. J.J. van Vlerken). Procesverloop Bij besluit van 9 maart 2022 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag voor vergoeding rechtsbijstandskosten van eiser vanwege verjaring afgewezen. Bij besluit van 24 mei 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep (SGR 22/3731) ingesteld. Omdat geen van de partijen - nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord - binnen de gestelde termijn heeft verklaard dat zij gebruik willen maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen Waar gaat deze zaak over?
- Eiser heeft in de uitoefening van zijn beroep als advocaat een strafzaak op toevoeging behandeld. Deze strafzaak is in eerste aanleg geëindigd met een vonnis van deze rechtbank van 28 maart
- Het hoger beroep in deze strafzaak is geëindigd met het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 26 januari
- Eiser heeft wegens extra werkzaamheden in deze strafzaak vergoeding van extra uren aangevraagd.
- Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat de toevoeging is verstrekt voor de verlening van rechtsbijstand in de behandeling in eerste aanleg die is geëindigd in
- Verweerder stelt dat de verjaringstermijn daarom startte op 31 december 2014 en eindigde op 1 januari
- Dat de feitelijke behandeling van het hoger beroep door eiser pas zou zijn geëindigd in januari 2022 maakt niet dat de toepassing van het beleid in dit geval onevenredig is of zou dwingen om de hardheidsclausule toe te passen. Verweerder heeft dit standpunt in bezwaar gehandhaafd. Wat zijn de relevante regels?
- Op grond van artikel 32 van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb), artikel 28, eerste lid van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr 2000) en de bijbehorende werkinstructies voert verweerder het beleid dat de aanspraak op vergoeding van rechtsbijstandskosten verjaart wanneer de rechtsbijstand tenminste vijf jaar voor de ontvangstdatum van het verzoek om vergoeding is beëindigd. De periode van vijf jaar begint op 31 december van het jaar waarin de rechtsbijstand werd beëindigd en de vergoeding wordt enkel toegekend voor de procedure in één instantie. Wat is het oordeel van de rechtbank?
- De rechtbank verwerpt eisers standpunt dat uit de werkinstructie bij artikel 28 van het Bvr 2000 volgt dat de verjaringstermijn gaat lopen vanaf de datum waarop de rechtsbijstand feitelijk is beëindigd, in dit geval het arrest van het Gerechtshof van 26 januari
- Verweerder heeft de toevoeging op 1 augustus 2013 verleend “ter zake van misdrijven, eerste aanleg meervoudig” en geen toevoeging voor rechtsbijstand tot in andere procesfasen. Met het strafvonnis van deze rechtbank van 28 maart 2014 heeft de verjaringstermijn dus een aanvang genomen en is geëindigd op 1 januari
- Voor het hoger beroep in deze strafzaak is bovendien een afzonderlijke toevoeging aan eiser verstrekt. De beroepsgrond slaagt niet.
- De hoogste bestuursrechter heeft daarnaast overwogen dat het beleid van verweerder niet onredelijk is, nu dit beleid ertoe leidt dat een redelijk overzicht wordt behouden op de besteding van publieke middelen. Het feit dat eiser normaal aan het eind van een zaak declareert, maar dat het nu niet is gebeurd, hoefde naar het oordeel van de rechtbank voor verweerder geen aanleiding te zijn om af te wijken van het gestelde beleid. De gevolgen van dergelijke keuzes dienen voor eigen rekening en risico van eiser te komen. Verweerder heeft op de goede gronden de verjaring aan eiser kunnen tegenwerpen. De beroepsgrond slaagt niet. Wat is de conclusie?
- Het beroep is ongegrond.
- Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 november
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. ECLI:NL:RBDHA:2014:
- ECLI:NL:GHDHA:2022:
- Artikel 32 Wrb luidt: “De toevoeging geldt uitsluitend voor het rechtsbelang ter zake vaarvoor zij is verleend en, in het geval van een procedure, voor de behandeling daarvan in één instantie, de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak daaronder begrepen.” Artikel 28 Bvr 2000 luidt: “Na beëindiging van de verlening van de rechtsbijstand dient de rechtsbijstandverlener bij het bestuur een aanvraag in tot vaststelling van de vergoeding voor de verrichte werkzaamheden.” Zie de werkinstructie via de volgende link : Art. 28 Bvr Vaststelling van de vergoeding - rvr.org Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1750.