RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 22/1698 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2022 in de zaak tussen TeVoet, Vereniging van wandelaars, statutair gevestigd in Hilversum, eiseres (gemachtigde: A.T.J. de Boer), en de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk, verweerder (gemachtigde: W. Nomen). Als derde-partijen nemen aan het geding deel Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland te 's-Gravenhage (gemachtigde: mr. A. Ferwerda) en ProRail te Utrecht (gemachtigde: A.J. van der Vecht). Procesverloop Bij besluit van 26 mei 2021 (primaire besluit) heeft verweerder besloten tot onttrekken aan de openbaarheid van het wandelpad langs de Dubbele Wiericke. Verweerder heeft op 2 februari 2022 (bestreden besluit) beslist op het door eiser ingediende bezwaarschrift. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Partijen hebben deelgenomen aan een inlichtingencomparitie op 31 oktober 2022, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Overwegingen Na de comparitie heeft de rechtbank voldoende inlichtingen verkregen voor het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Daarom doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Verweerder heeft op de comparitie verklaard dat het bestreden besluit een tussenbeslissing is in het kader van het door eiseres gemaakte bezwaar tegen het primaire besluit. Deze tussenbeslissing is niet gericht op rechtsgevolgen, maar slechts een aankondiging van de aanstaande herroeping van het besluit en de daartoe te ondernemen stappen. De bestuursrechter overweegt dat een tussenbeslissing als deze niet vatbaar is voor beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft. Dat laatste is niet aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft in de bestreden beslissing namelijk enkel verklaard het voornemen te hebben om voor het herroepen besluit van 26 mei 2021 alsnog een ander besluit daarvoor in de plaats te stellen. Verweerder voert daartoe overleg met betrokken partijen. Als eiseres dat wenst kan zij te zijner tijd tegen dat vervangende besluit beroep indienen bij de rechtbank. Als eiseres vindt dat verweerder niet tijdig op haar bezwaar beslist, staat haar het rechtsmiddel genoemd in artikel 6:12 van de Awb ter beschikking. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Verweerder wordt wel opgedragen het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden, aangezien verweerder - naar nu vaststaat - ten onrechte een rechtsmiddelclausule onder de bestreden beslissing van 2 februari 2022 heeft geplaatst. Beslissing De rechtbank - verklaart het beroep niet-ontvankelijk; - draagt verweerder op het griffierecht van € 365,00 aan eiseres te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2022. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.