RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.15215 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. M.A. Krikke), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen). Procesverloop Eiser is op 7 augustus 2022 om 07:58 uur opgehouden, op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Om 09.15 is hij aangekomen op een plaats bestemd voor verhoor. De ophouding is geëindigd om 11:15 uur. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de ophouding. De rechtbank heeft het beroep op 15 augustus 2022 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen
- Eiser stelt dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [2000] . Rechtmatigheid van de ophouding
- Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte heeft opgehouden, omdat het aan verweerder zelf te wijten is dat hij zich niet kon legitimeren. Eiser heeft zich gewend tot het aanmeldcentrum in Ter Apel. Vanwege de drukte kon hij zich toen niet aanmelden, waardoor hij ook geen verblijfsdocument heeft ontvangen. Inmiddels heeft hij opvang in Assendelft. Volgens eiser komt het voor verweerders risico dat hij niet beschikte over relevante documentatie omtrent zijn verblijf in Nederland.
- De rechtbank oordeelt dat verweerder eiser terecht op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw heeft opgehouden. De hierin geregelde ophouding heeft tot doel om nader onderzoek te doen naar de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie van de desbetreffende vreemdeling, indien dit niet meteen is vast te stellen.1 Bij zijn ophouding was het een feit dat eiser geen identificerende documenten bij zich had. Zijn verklaring over de toedracht van deze situatie diende door verweerder te worden geverifieerd. Juist daarvoor geldt de bevoegdheid tot ophouding. De beroepsgrond slaagt daarom niet. Duur van de ophouding
- Subsidiair voert eiser aan dat de ophouding eerder beëindigd had moeten worden. Om 09:35 uur was namelijk op basis van de gegevens uit Eurodac al duidelijk wie eiser was en dat zijn verklaring dat hij geen gelegenheid had gehad om asiel aan te vragen correct was. Hij had daarom op dat moment al vrijgelaten moeten worden.
- De rechtbank oordeelt dat verweerder de ophouding niet eerder hoefde te beëindigen. Uit vaste rechtspraak volgt dat artikel 50, derde lid, van de Vw niet uitsluit dat tijdens de ophouding verweerder wat betreft de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling nog de nodige verificatiewerkzaamheden verricht en aanvullende gegevens van die vreemdeling verzamelt, terwijl hij voorts voorbereidingen kan treffen voor een mogelijke inbewaringstelling.2 De rechtbank acht deze redenering ook van toepassing op artikel 50, tweede lid, van de Vw. Dit zeker gezien het feit dat dit lid van toepassing is op vreemdelingen van wie de identiteit én de verblijfsrechtelijke positie onbekend is. Nadat verweerder om 09:35 uur op de hoogte was van het feit dat eiser in Eurodac geregistreerd stond, is het dus niet ondenkbaar dat verweerder nog enige tijd nodig had voor verificatiewerkzaamheden en het verzamelen van aanvullende gegevens omtrent het rechtmatig verblijf van eiser in Nederland. Dat dit tot 11:15 uur heeft geduurd, is niet onaanvaardbaar lang. De beroepsgrond slaagt daarom niet. Conclusie
- Het beroep is ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Bazaz, griffier.
- Zie o.m. de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 5 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3474, r.o. 5.
- 2 Zie o.m. de uitspraak van de ABRvS van 19 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1105, r.o. 1.
- De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 18 augustus 2022 Documentcode: [documentcode] Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.