← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2022:15161

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.19323 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. S.R. Nohar), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. L.M.F. Verhaegh). Procesverloop Bij besluit van 21 september 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.19324, op 20 oktober 2022 op zitting behandeld. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen

  1. In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep bevat. Het beroepschrift voldoet niet aan dit vereiste.
  2. In artikel 6:6 van de Awb is bepaald dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Eiser is op dit verzuim gewezen door middel van een bericht in het digitale dossier van 28 september 2022 en is daarbij verzocht om uiterlijk op 5 oktober 2022 de gronden van het beroep alsnog in te dienen.
  3. Bij bericht van 4 oktober 2022 heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat hij geen contact met eiser heeft kunnen krijgen en dat hij gelet daarop niet in staat is om gronden van beroep in te dienen. Bij bericht van 17 oktober 2022 heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat hij niet ter zitting zal verschijnen. Nu er geen gronden zijn ingediend, is de rechtbank van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is.
  4. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juni 20221 volgt dat de bestuursrechter een nationale procedureregel buiten toepassing moet laten wanneer er omstandigheden zijn als bedoeld in paragraaf 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in de zaak van Bahaddar tegen Nederland2 om schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te voorkomen. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval van dergelijke omstandigheden niet is gebleken.
  5. Het beroep is niet-ontvankelijk.
  6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van L.S. Lodder, griffier.
  7. ECLI:NL:RVS:2022:
  8. 2 ECLI:CE:ECHR:1998: 0219JUD
  9. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 25 oktober 2022 Documentcode: [documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.