Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2022:15211
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.19228 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. D. Gürses), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A. van de Wal).
Procesverloop Bij besluit van 24 september 2022 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd (het bestreden besluit). Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep tegen de maatregel van bewaring op 3 oktober 2022 op zitting behandeld en op 6 oktober 2022 geoordeeld dat het beroep tegen de maatregel van bewaring ongegrond is.
Verweerder heeft op 10 oktober 2022 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiser is uitgezet naar Brazilië.
De rechtbank heeft het beroep op 10 oktober 2022 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen 1. Eiser stelt van Braziliaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1977] .
Het terugkeerbesluit 2. Eiser voert aan dat hem ten onrechte geen vertrektermijn is geboden. Hij is teruggekeerd naar Brazilië in 2014, waardoor hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij eerder geen gehoor heeft gegeven aan zijn terugkeerverplichting.
Het inreisverbod 4. Eiser voert aan dat verweerder van het opleggen van het inreisverbod had moeten afzien, omdat hij mogelijk rechtmatig verblijf heeft in Portugal. Verweerder had dit voordat het inreisverbod werd opgelegd, moeten onderzoeken. Ook had verweerder een afweging moeten maken ten aanzien van zijn banden met Portugal.
Ik vind het onmenselijk besluit want ik heb hier al jaren gewerkt en zelf voor mijn levensonderhoud gezorgd. Toevallig was ik op een plek waar dingen werden gedaan waar ik niets mee te maken had. Ik ben al een tijdje bezig om mijn documenten in Portugal te verkrijgen. Een inreisverbod voor 2 jaar zou daarom slecht voor mij uitkomen. (…) Ook stelt betrokkene bezig te zijn met het verkrijgen van een verblijfsvergunning in Portugal en dat hierdoor zijn kansen op verblijf in Portugal aanzienlijk kleiner worden. Dit is geheel te wijten aan betrokkene. Immers, hij heeft verblijf in Portugal aan willen vragen terwijl hij al illegaal in Europa verbleef.
Er is voorts niet gebleken dat afgezien zou moeten worden van het opleggen van dit besluit.”
Grondslag inreisverbod 7. Eiser voert in het kader van het inreisverbod aan dat de onderbouwing van verweerder terzake zijn onrechtmatig verblijf onjuist is. Eiser stelt terzake dat hij geen gevaar oplevert voor de openbare. Er moet immers sprake zijn van een verdenking van een voldoende ernstig strafbaar feit maar eiser is heengezonden en wordt niet vervolgd voor die feiten.
Zienswijze inreisverbod 9. Eiser voert aan dat zijn gemachtigde niet op de hoogte is gesteld van het gehoor voor het terugkeerbesluit en het inreisverbod. Hij is alleen op de hoogte gesteld van het gehoor voor de inbewaringstelling. Ook heeft hij geen schriftelijke zienswijze kunnen geven, omdat het terugkeerbesluit en het inreisverbod direct aan eiser zijn opgelegd. Eiser had de keuze moeten worden geboden om zijn zienswijze schriftelijk of mondeling te geven, op grond van artikel 4:9 Algemene wet bestuursrecht. Er was geen spoed bij het opleggen van het terugkeerbesluit en het inreisverbod, dus verweerder had geen reden om af te zien van het bieden van deze keuzemogelijkheid.
Verder volgt de rechtbank eiser niet dat er geen sprake was van spoed bij het opleggen van het terugkeerbesluit en het inreisverbod. Eiser werd op dat moment opgehouden, voorafgaande aan zijn inbewaringstelling. De ophouding heeft in beginsel een termijn van zes uren, daarom wordt aangenomen dat er wel spoed was bij het opleggen van het terugkeerbesluit en het inreisverbod. De beroepsgrond slaagt niet.
2 ECLI:NL:RVS:2012:BY2822 12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr.
M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
10 oktober 2022 en is openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl Mr. S.G.M. van Veen M.A.W.M. Engels Rechter Griffier Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland Documentcode: [documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.