← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2022:1526

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.2039 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], verzoeker V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr. S. Karkache), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 1 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoeker de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Bij uitspraak van 10 februari 2022 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde (eerste) beroep ongegrond verklaard. Bij beroepschrift van 8 februari 2022 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Verweerder heeft de maatregel van bewaring op 10 februari 2022 opgeheven. Op 10 februari 2022 heeft verzoeker het beroep ingetrokken met het gelijktijdige verzoek om verweerder te veroordelen in de gemaakte proceskosten. Verweerder heeft zich niet over het verzoek uitgelaten. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Overwegingen

  1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb, en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
  2. Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw kan de vreemdeling beroep instellen tegen het voortduren van de bewaring (vervolgberoep). Hiervoor is echter vereist dat het eerste beroep tegen de bewaring ongegrond is verklaard. Zo lang dat (nog) niet het geval is, staat geen vervolgberoep open.
  3. De rechtbank stelt vast dat eiser het vervolgberoep op 8 februari 2022 heeft ingesteld, terwijl de rechtbank pas op 10 februari 2022 uitspraak heeft gedaan op het eerste beroep tegen de bewaring. Dit betekent dat het - inmiddels ingetrokken - vervolgberoep niet-ontvankelijk was. Er is daarom geen sprake van een situatie waarin het bestuursorgaan (al dan niet gedeeltelijk) aan het beroepschrift tegemoet is gekomen. Het verzoek wordt als kennelijk ongegrond afgewezen. Beslissing wijst het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten af. Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. N.F. Kreeftmeijer, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. NL22.1623.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.