RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.23839 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. J.S. Dobosz), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: M. Janssen). Procesverloop Bij besluit van 21 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Eiser heeft de Poolse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum]
- In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
- Bij besluit van 6 april 2021, gehandhaafd bij besluit van 24 februari 2022, heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht en dat hij Nederland dient te verlaten. Dit besluit staat inmiddels vast
- Eiser betwist de zware gronden onder 3c en 3i. Hij voert daartoe aan dat hij op 7 oktober 2022 een verzoek tot omzetting van zijn verblijfscode naar “rechtmatig verblijf” heeft ingediend. Dit omdat eiser in Nederland een baan heeft gevonden. Ter onderbouwing daarvan heeft eiser een uitzendovereenkomst overgelegd, ondertekend op 27 september
- Als gevolg hiervan stelt eiser dat hij (wederom) voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht. Ten tijde van het opleggen van de maatregel van bewaring bestond er voor hem daarom geen verplichting om Nederland te verlaten. Hieraan doet volgens eiser niet af dat verweerder tot op heden nog niet heeft beslist op het verzoek van 7 oktober
- Eén en ander maakt dat de gronden onder 3c en 3i de maatregel van bewaring niet kunnen dragen.
- Naar het oordeel van de rechtbank faalt deze beroepsgrond. Weliswaar heeft eiser een uitzendovereenkomst overgelegd, maar hij heeft niet onderbouwd dat hij daadwerkelijk invulling heeft gegeven aan deze overeenkomst. Zo heeft hij tijdens het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring op 21 november 2022 er met geen woord over gerept dat hij betaald werk had. Eiser heeft toen zelfs geen melding gemaakt van het bestaan van de genoemde uitzendovereenkomst. Ook ter zitting heeft eiser niet gesteld, laat staan geconcretiseerd, dat hij op grond van deze uitzendovereenkomst betaalde werkzaamheden (heeft) verricht. Voorts blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van 21 november 2022 van de politie dat op 15 november 2022 telefonisch contact is opgenomen met het uitzendbureau in kwestie. Een medewerker van dat uitzendbureau heeft toen meegedeeld dat eiser wel werknemer was geweest, maar dat hij niet heeft gewerkt of loon heeft ontvangen. Op basis van deze omstandigheden heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij inmiddels weer voldoet aan de criteria voor rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht en dat zijn rechtmatig verblijf in Nederland dus weer is herleefd.
- Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder de gronden onder 3c en 3i terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Deze twee gronden kunnen die maatregel al dragen.
- De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
- Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Dit op grond van de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 juli 2022, zaaknummer NL22.5013 (niet gepubliceerd), en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 augustus 2022, zaaknummers 202204419/ 1/ V3 en 202204419/ 2/ V3 (niet gepubliceerd). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op: 30 november 2022 en is openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl Mr. R.J.A. Schaaf M.A.W.M. Engels Rechter Griffier Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland Documentcode: [documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.