RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.24543 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. M.M. Polman), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M. Janssen). Procesverloop Bij besluit van 30 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Lotfi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum]
- Op eiser is de Dublinverordening van toepassing. Om zijn overdracht naar Spanje te waarborgen, mag verweerder hem in bewaring stellen. Er zijn geen feiten en omstandigheden naar voren gekomen die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. De beroepsgrond faalt.
- In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
- Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet betwist. Evenmin heeft hij betwist dat verweerder voldoende voortvarend aan zijn overdracht naar Spanje werkt.
- De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat in het geval van eiser niet kon worden volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Verweerder heeft terecht aangevoerd dat eiser al twee keer eerder is overgedragen naar Spanje en dat hij telkens weer naar Nederland is teruggekeerd. Dit duidt erop dat eiser in Nederland wil (ver)blijven. Wanneer nu zou worden volstaan met een lichter middel, dan is er geen garantie dat eiser pogingen zal ondernemen om Nederland zelfstandig zal verlaten. De beroepsgrond faalt.
- Tot slot overweegt de rechtbank dat zij ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is1 niet van oordeel is dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
- Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
- Zie de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:
- De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op: 15 december 2022 en is openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl Mr. R.J.A. Schaaf M.A.W.M. Engels Rechter Griffier Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland Documentcode: [documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.